---

Psalmen in de Nieuwe Berijming

1973

---

 

*1

#3

1

  Gezegend hij, die in der bozen raad

  niet wandelt, noch met goddelozen gaat,

  noch zich met spotters in de kring laat noden,

  waar ieder lacht met God en zijn geboden,

  maar die aan 's Heren wet zijn vreugde heeft

  en dag en nacht met zijn geboden leeft.

2

  Hij is een groene boom die staat gepland

  waar waterbeken vloeien door het land.

  Zijn loof behoeft de droogte niet te duchten,

  te goeder tijd geeft hij zijn rijpe vruchten

  Gezegend die zich aan Gods wetten voedt:

  het gaat hem wel in alles wat hij doet.

3

  Gans anders zal 't de goddelozen gaan:

  zij zijn het kaf dat wegwaait van het graan.

  Zij kunnen zich voor God niet staande houden,

  er is geen plaats voor hen bij zijn vertrouwden.

  God kent die wandelt in het rechte spoor,

  wie Hem verlaat gaat dwalende teloor.

---

*2

#4

1

  Wat drijft de volken, wat bezielt ze toch?

  Wat is de waanzin toch die zij beramen?

  De groten staan gewapend tot de slag,

  de machtigen der wereld spannen samen.

  't Is tegen het gezag van God de Here

  en tegen zijn gezalfde vorst gericht:

  "Komt", zeggen zij, "laat ons hun banden scheuren,

  tot alle macht in onze handen ligt"!

2

  Die in de hemel is gezeten lacht,

  want Hij is God die eeuwig blijft regeren.

  Hij spot met hen die spotten met zijn macht.

  Hij kent zijn tijd, Hij is de Heer der heren.

  Dan zal Hij spreken uit zijn hoge woning

  en hen verschrikken in zijn grimmigheid:

  "Ik wijdde mijn gezalfde tot een koning

  op Sions berg, de berg der heiligheid".

3

  Ik roep op aarde 't woord des Heren uit.

  Hij sprak tot mij: "Zie Ik verwek u heden.

  Gij zijt mijn zoon naar mijn vrij raadsbesluit.

  Vraag Mij: Ik zal u met gezag bekleden.

  Zie, al het volk tot in de verste streken,

  de ganse aarde geef Ik in uw macht

  Gij zult het aarden vat met ijzer breken,

  ja, het verbrijz'len door uw grote kracht".

4

  O machtigen, o koningen, weest wijs.

  Laat u gezeggen, rechters zonder rede.

  Vreest God den Heer en dient Hem naar zijn eis,

  verheugd u bevend, zoekt bij Hem uw vrede.

  Kust toch de zoon, opdat gij niet te gronde

  gaat op uw weg. Te licht wordt hij getart

  en kan zijn gramschap tegen u ontbranden.

  Maar zalig zijn die schuilen aan zijn hart.

---

*3

#4

1

  O Heer, de vijand stelt

  zijn overmacht in 't veld

  en staat mij naar het leven.

  Ook hoor ik overal

  dat niets mij baten zal

  daar God mij heeft begeven.

  Maar, Heer, Gij zijt mijn schild.

  Ik heb bij U geschuild

  met opgerichten hoofde.

  Uit Sions heilig oord

  kwam steeds uw wederwoord

  als ik U riep en loofde.

2

  Ik legde mij en sliep.

  Ik wist dat wie mij schiep

  voor mijn behoud zou waken.

  De morgen is gekeerd

  en ik mocht ongedeerd,

  dank zij Gods trouw, ontwaken.

  Nu is mijn vrees voorbij,

  God ondersteunde mij

  en blijft mij vergezellen.

  Zo treed ik in het perk

  hoe dreigend ook en sterk

  tienduizenden zich stellen.

3

  Sta op, verlos mij, Heer,

  Gij sloegt reeds menig keer

  met uw geduchte handen

  mijn vijand op de kaak,

  ja, Gij vergruisde vaak

  der goddelozen tanden.

  O Helper, help ook nu.

  Elk heil berust bij U.

  Wees met ons en strijd mede.

  Dan daalt uw zegen neer,

  want uw triomf, o Heer,

  omgeeft uw volk met vrede.

---

*4

#3

1

  Laat als ik roep mij op U hopen,

  o God van mijn gerechtigheid.

  Geef mij uw antwoord, doe mij open,

  die mij, als ik ben ingesloten,

  ruim baan maakt en mij weer bevrijdt.

  Hoe lang zult gij mij blijven smaden,

  gij groten, door de schijn bekoord?

  Weet toch: de Here slaat mij gade.

  Weet dat ik leef van zijn genade.

  Hij is het die mijn roepen hoort.

2

  Laat niet tot zonde uw geschil zijn,

  maar zoekt uw vrede voor de nacht.

  Spreekt tot uw hart en laat het stil zijn,

  laat wat de Here wil uw wil zijn,

  schenkt Hem wat Hij van u verwacht.

  "Wie", zeggen velen, "toont ons 't goede?"

  Verhef dan uw gelaat, o Heer.

  Gij maakt het mij zo wel te moede;

  hebben zij 's werelds overvloeden,

  uw vrede in mijn hart is meer.

3

  Ik kan gaan slapen zonder zorgen,

  want slapend kom ik bij U thuis.

  Alleen bij U ben ik geborgen.

  Gij doet mij rusten tot de morgen

  en wonen in een veilig huis.

---

*5

#7

1

  Laat mij, mijn Koning tot U spreken.

  Vroeg in de morgen kom ik, Heer,

  en leg mijn noden voor U neer.

  Hoor naar mijn zuchten en mijn smeken:

  ik wacht uw teken!

2

  Gij hebt een afschuw van de zonde.

  Gij haat de hand waar bloed aan kleeft,

  de tong die van de leugen leeft.

  Wie in geweld hun sterkte vonden

  richt Gij te gronde.

3

  Ik zal mij naar uw Huis begeven.

  Door uwe goedertierenheid

  word ik uw tempel ingeleid

  en buig mij, Koning van mijn leven,

  in vrees en beven.

4

  Maak door uw trouw uw paden effen,

  want mijn belagers staan in 't rond.

  Een open groeve is hun mond,

  hun tong een wapen dat ze heffen

  om mij te treffen.

5

  Wil, God, hun valse list beletten!

  Doe vallen hen in eigen val

  om de vergrijpen zonder tal,

  waarmee zij zich rebels verzetten

  tegen uw wetten.

6

  Maar die uw lieve naam belijden,

  vinden een schuilplaats aan uw hart:

  zij zullen vrij van zorg en smart

  juichende zich in U verblijden

  te allen tijde.

7

  Want gij vervult wat Gij beloofde,

  die vromen met uw zegen dekt:

  o Heer, uw sterke vrede strekt

  tot schild en schutse voor de hoofden

  van die geloofden.

---

*6

#6

1

  Heer, toon mij uw genade,

  straf mij niet naar mijn daden,

  ik was in kwaad verblind.

  Komt mij uw hand kastijden,

  sla mij met medelijden

  als uw weerspannig kind.

2

  Ik word verteerd door vrezen,

  o Heer, kom mij genezen,

  mijn hart is droef en bang.

  hoe lang al zijn de nachten

  een luisteren en wachten?

  Ach Here, tot hoe lang?

3

  Keer weder, red mijn leven!

  Wil mij toch uitkomst geven:

  uw goedheid is zeer groot.

  Want wie kan U gedenken,

  wie kan U ere schenken

  in 't donker van de dood?

4

  De slaap is mij ontnomen,

  ik laat mijn tranen stromen

  in nachten van verdriet.

  Hoe lang moet ik aanschouwen

  die steeds mijn ziel benauwen?

  O Heer, verlaat mij niet!

5

  Wijkt, werkers van het kwade!

  De Heer heeft in genade

  mijn smekingen verstaan.

  De Heer heeft in ontfermen

  geluisterd naar mijn kermen

  en neemt mijn bidden aan.

6

  Waar zijn zij die mij jaagden,

  die mij ter dood belaagden?

  God sloeg ze met zijn schrik!

  Zij werden zelfs als doden,

  zij zijn beschaamd gevloden

  als in een ogenblik!

---

*7

#7

1

  Here mijn God, Gij hoedt mijn leven,

  ik heb het in uw hand gegeven,

  breid over mij uw vleugels uit,

  de vijand is belust op buit:

  hij wil mij als een leeuw verslinden.

  laat, Heer, zijn klauwen mij niet vinden,

  niet slepen naar zijn woest gebied,

  terwijl geen mens mij bijstand biedt.

2

  Wanneer het waar is dat mijn handen

  bevlekt zijn met geweld en schande,

  wanneer ik goed vergeld met kwaad,

  dan treffe mij des vijands haat.

  Ben ik een schenner van de vrede,

  dan mag hij mij in 't stof vertreden.

  Maar, Heer mijn God, ik heb behoed

  de man die dorstte naar mijn bloed.

3

  Sta op, Heer, laat uw toorn ontbranden,

  ontruk mij aan des vijands handen.

  Betoom zijn woede, help uw knecht,

  handhaaf, o Heer, het hoogste recht.

  Laat dan de volken U omringen,

  en beven voor uw rechtsgedingen.

  En Gij die aller Koning zijt,

  troon boven hen in heerlijkheid.

4

  God zal der volken rechter wezen.

  Zou ik zijn oordeel moeten vrezen?

  Rechtvaardig sta ik voor 't gericht.

  Heer, breng mijn onschuld aan het licht.

  Stel paal en perk aan die U tarten,

  Gij die doorschouwt der mensen harten.

  Houd uwer knechten werk in stand,

  rechtvaardig God, met eigen hand.

5

  God is mijn schild en mijn betrouwen,

  de reine zal zijn heil aanschouwen.

  Hij richt met goddelijk gezag,

  Hij toont zijn gramschap elke dag.

  Hij wet zijn zwaard en zal het heffen

  om de hardnekkigen te treffen.

  En op de boog der wrake legt

  de Heer de vlammen van zijn recht.

6

  Zij die bevrucht zijn door het kwade

  gaan zwanger aan verkeerde daden,

  bedrog en onrecht baart hun mond.

  Zij tasten in onwaarheid rond.

  Zij zullen in de kuil geraken

  die zij voor and're mensen maken.

  Al hun verderf keert tot hen weer,

  komt op hun eigen hoofd eens neer.

7

  God zal ik loven, de Gerechte,

  Hij zal voor mij het pleit beslechten.

  Nu looft mijn lied in eeuwigheid

  des Heren naam en majesteit.

---

*8

#6

1

  Heer, onze Heer, hoe heerlijk en verheven

  hebt Gij uw naam op aarde uitgeschreven-

  machtige God, Gij die uw majesteit

  ten hemel over ons hebt uitgebreid.

2

  Wel doet de hemel hoog uw glorie blinken,

  maar in de mond van kind'ren doet Gij klinken

  uw machtig heil, zo maakt G' uw vijand stil

  en doet uw haters buigen voor uw wil.

3

  Aanschouw ik 's nachts het kunstwerk van uw handen,

  de maan, de duizend sterren die daar branden,

  wat is de mens, dat Gij aan hem gedenkt,

  het mensenkind, dat Gij hem aandacht schenkt?

4

  Gij hebt hem bijna goddelijk verheven,

  een kroon van eer en heerlijkheid gegeven,

  Gij doet hem heersen over zee en land,

  ja, al uw werken gaaft Gij in zijn hand.

5

  Al wat er land of water heeft tot woning,

  het moet de mens erkennen als zijn koning;

  vogels en wild en al 't geduldig vee

  en wat er wemelt in de wijde zee.

6

  Heer, onze Heer, hoe heerlijk en verheven

  hebt Gij uw naam op aarde uitgeschreven.

  Heer, onze God, hoe vol van majesteit

  hebt Gij uw naam op aarde uitgebreid.

---

*9

#10

1

  Met heel mijn hart zing ik uw eer,

  prijs ik uw wonderwerken, Heer.

  Ik wil mij in uw naam verblijden,

  U, hoogste God, mijn psalmen wijden.

2

  Mijn vijand, dreigend opgesteld,

  ligt door uw aanblik neergeveld.

  Gij zijt ten rechterstoel gestegen

  om recht en onrecht af te wegen.

3

  Die tegen U zijn opgestaan,

  hebt Gij in eeuwigheid verdaan.

  Verstoven zijn de goddelozen,

  een puinhoop werd de stad der bozen.

4

  God heeft zijn rechtstoel opgericht,

  zijn troon in eeuwigheid gesticht.

  Hij zal de volken voor zich stellen

  en zijn rechtvaardig vonnis vellen.

5

  Heer, Gij bewaart wie tot U vliedt.

  Die U vertrouwt, verlaat Gij niet.

  Een burcht voor wie in nood verkeren,

  een vaste burcht is onze Here.

6

  Psalmzingt Hem die in Sion woont!

  Meldt alle volken hoe Hij troont:

  geen arme die vergeefs zal smeken,

  geen bloedschuld die Hij niet zal wreken.

7

  Heer, die mij haten zijn mijn dood.

  Geef mij toch uitkomst uit de nood,

  geef mij een ingang der genade,

  dat ik mag zingen van uw daden.

8

  Het volk dat val en strikken zet,

  Godlof, valt in zijn eigen net!

  De Heer zal zich rechtvaardig tonen

  en ieder naar zijn werken lonen.

9

  Ten dode voert het duister pad

  van al het volk dat God vergat.

  Maar wie ellendig is, mag hopen.

  Het heil blijft voor de arme open.

10

  O Heer, sta op, toon wie Gij zijt,

  richt allen in gerechtigheid

  en laat ontsteltenis hen treffen,

  dat zij hun sterf'lijkheid beseffen.

---

*10

#6

1

  Hoe komt het, Heer, dat Gij zo verre zijt?

  Hoe kan het zijn verborgen voor uw blik

  dat uw vernederd volk verdrukking lijdt?

  Verwar de trotse in zijn eigen strik,

  ontstel hem met de dreiging van uw schrik!

  Hij gaat met zijn hebzuchtig hart te rade,

  zichzelve roemend, Heer, om U te smaden.

2

  Het gaat hem al te goed. Hij pocht in trots,

  zijn neus hoog opgestoken in de wind:

  "Daar is geen God, daar is geen oordeel Gods,

  niemand vraagt rekenschap van mijn bewind".

  Het blind geluk heeft ook zijn hart verblind.

  Gij blijft hem ver, te hoog om te aanschouwen

  is uw gericht. Niets dat hem kan benauwen.

3

  "Ik sta met mijn geslacht onwankelbaar

  in eeuwigheid", is wat zijn hart bepeinst,

  "ik heb me wel beveiligd voor gevaar".

  Zijn mond is vol bedrog, zijn tong geveinsd.

  Nooit is hij voor geweld teruggedeinst.

  Bij de gehuchten, in geheime oorden,

  schuilt hij om schuldelozen te vermoorden.

4

  Ineengedoken als een leeuw op jacht,

  zit hij verborgen in het struikgewas,

  bespiedt zijn prooi met loerend oog en wacht

  tot hij de arme met zijn sprong verrast.

  Hij houdt hem in zijn sterke klauwen vast

  en denkt daarbij: "Geen rechter zal het weten,

  God ziet mij niet, God zal het wel vergeten".

5

  Heer God, sta op! Vergeet de armen niet!

  Maak de hoogmoedigen voorgoed te schand!

  Gij zijt de Heer, o God die alles ziet

  en alle moeiten opneemt in uw hand!

  U smeekt de wees om hulp en onderstand.

  O steun de zwakken, breek de macht der bozen

  en doe te niet de kracht der goddelozen!

6

  De Heer is koning in der eeuwigheid.

  De heidenen vergaan waar Hij regeert.

  Gij hebt uw oor geneigd, en onderscheidt

  wat ook het needrigst hart van U begeert.

  Als Gij het onrecht met uw recht verteert,

  sterkt Gij hun hart. Verdrukten en verweesden

  gaan in uw naam als eeuwig onbevreesden.

---

*11

#3

1

  Ik schuil bij God. Hoe kunt gij dan nog zeggen:

  "Neem naar de bergen, vogel, snel de vlucht;

  zie hoe ze pijlen op hun bogen leggen,

  die zich niet storen aan des Heeren tucht;

  reinen van hart, zie hoe zij op u richten,

  hoor in de duisternis hun boos gerucht,

  als alles valt, moet gij dan ook niet zwichten?"

2

  De Heer is hoog in zijn paleis gezeten,

  in heilig schijnsel troont zijn majesteit.

  De hele wereld kan zijn oog doormeten.

  Zijn blik toetst ieder mens te allen tijd,

  en in een zuiv're schaal weegt Hij hun daden.

  Geweldenaars treft zijn verbolgenheid.

  Zijn toorn verzengt wie zwelgen in het kwade.

3

  De Heer zal vuur en zwavelregen zenden.

  Een hete wind steekt op en schroeit hun grond.

  Dit valt ten deel aan wie zich van Hem wenden,

  want onze Heer is trouw aan zijn verbond

  en Hij bemint wie wand'len in zijn wegen.

  Al wie op aarde rechte paden vond

  gaan blij het blinken van zijn aanschijn tegen.

---

*12

#5

1

  Breng redding, Heer, de vroomheid is geweken.

  Geen mens is trouw; elk is een leugenaar.

  Met gladde tong hoort men ze leugens spreken,

  met vleierij bedriegen ze elkaar.

2

  Laat God de lippen van de vleiers treffen,

  de grootspraak doen verstommen van wie zegt:

  "Wie waagt het tegen ons zich te verheffen?

  Ons woord is wet, wij zijn van niemand knecht".

3

  "Nu zal Ik opstaan", spreekt de Heer der heren,

  "om wat zij armen hebben aangedaan.

  Ik zal het lot van de verdrukten keren.

  Ik red hen uit. Hun klacht heb Ik verstaan".

4

  Gods mond alleen spreekt woorden die niet falen,

  zuivere woorden, onvervalst en klaar,

  als zilver dat de smeltkroes zeven malen

  gelouterd heeft. Al wat God spreekt is waar.

5

  Laat de geweldenaars op aarde woeden.

  Al neemt steeds meer hun valsheid overhand,

  Gij Heer, houdt ons voor immer in uw hoede.

  Gij zijt trouw, uw woord doet Gij gestand.

---

*13

#3

1

  Hoe lang, Heer, gaat Gij mij voorbij?

  Hoe lang verbergt Gij U voor mij?

  Hoe lang maak ik vergeefse plannen,

  van dag tot dag in druk gebannen,

  gedrukt door 's vijands hovaardij?

2

  Aanschouw toch, antwoord mij, o Heer,

  geef aan mijn oog uw daglicht weer,

  dat ik in doodsslaap niet verzinke,

  en niet des vijands juichkreet klinke"

  "Ik overwon, ik sloeg hem neer!"

3

  Gij toch, Gij zijt mijn zekerheid.

  Gij helpt en redt mij op uw tijd.

  Mijn hart juicht om uw zegeningen.

  Den Heer zal ik mijn loflied zingen,

  want Hij heeft mij zijn gunst bereid.

---

*14

#5

1

  De dwaas zegt in zijn hart: "Er is geen God",

  en ieder doet wat goed is in zijn ogen.

  't Gebinte van het leven wordt bewogen,

  de zonde woekert, ieder drijft de spot

  met Gods gebod.

2

  De Heer ziet uit de hemel, of nog een

  de wijsheid heeft om naar zijn woord te horen,

  of een Hem zoekt. Geen mens wil zich aan Hem storen.

  Geen mens die goed doet in de wereld, neen,

  God vindt er geen.

3

  Is er op aarde geen spoor van inzicht meer

  bij hen die in het kwaad behagen vinden,

  hen die mijn volk als was het brood verslinden?

  Zij roepen God niet aan, zij roven d' eer

  van God de Heer.

4

  Zie hoe de schrik hen eensklaps overmant:

  God treedt in 't krijt voor hen die naar Hem vragen,

  Hij maakt te schande wie zijn volk belagen;

  her blijft verdrukt, bedreigd van alle kant,

  maar in Gods hand.

5

  Breng, Here, breng een keer in 't aards bestel,

  kom toch van Sion uit uw volk bevrijden.

  Wend, Heer, ons lot, stel paal en perk aan 't lijden,

  dan brengt U vrolijk lof met zang en spel

  heel Isra‰l.

---

*15

#4

1

  Wie zult Gij noden in uw tent,

  wie op uw heil'ge berg doen wonen?

  Hem die o Heer, uw recht niet schendt,

  in heel zijn wandel U erkent,

  die zult Gij U een gastheer tonen.

2

  Wie wordt er in uw huis ge‰erd?

  Wiens hart niet overlegt ten kwade,

  wiens tong geen goed in kwaad verkeert,

  die van zijn naaste onheil weert

  en hem nooit krenken zal of smaden.

3

  Slechts zij die U verwerpen, Heer,

  die zijn verwerp'lijk in zijn ogen;

  maar wie U vrezen geeft hij eer,

  hij breekt zijn eden nimmermeer,

  hij woekert niet met zijn vermogen.

4

  Wie mag te gast zijn in uw tent,

  wie zult Gij drank en voedsel reiken?

  Die onomkoopbaar 't recht erkent

  van ieder die zich tot hem wendt.

  nooit zal hij wank'len en bezwijken.

---

*16

#4

1

  Bewaar mij, want ik schuil bij U, o God,

  Gij zijt mijn Heer, en mijn geluk is zeker.

  Gij maakt bestendig mijn voorspoedig lot,

  Gij zijt mijn heil, mijn erfdeel en mijn beker.

  Gij deelt mij toe zo lieflijke landouwen

  dat mijn hart in mij opspringt bij 't aanschouwen.

2

  In de gemeente die U trouw betuigt,

  't geheiligd volk, vind ik mijn welbehagen,

  maar 't boos geslacht, dat voor afgoden buigt,

  vermeerdert zelf zijn smarten en zijn plagen.

  Ik volg hen niet waar zij hun offers plengen

  en nimmer zal mijn mond hun naam uitbrengen.

3

  Ik prijs de Heer; Hij heeft mijn hart verlicht,

  dat in de nacht zelfs blijft van Hem gewagen.

  Ik houd bestendig naar zijn aangezicht

  mijn ogen vol vertrouwen opgeslagen.

  Ik wankel niet, want aan mijn rechterzijde

  staat God, mijn Heer, die mij tot hiertoe leidde.

4

  Daarom verheug ik mij van harte zeer,

  want zelfs mijn vlees zal hier behouden wonen.

  Naar 't rijk des doods zendt Gij uw vriend niet neer,

  Gij zult U tegen 't graf een helper tonen.

  Het pad des levens doet Gij mij betreden

  en overvloed van vreugde schenkt uw vrede.

---

*17

#7

1

  Hoor, Heer, Gij God van trouw en recht,

  mijn zaak is recht, hoor naar mijn klagen,

  doe eindelijk uw aanschijn dagen,

  dan is voorgoed het pleit beslecht.

  Gij hebt gepeild mijn diepste gronden,

  mijn hart doorschouwd in diepste nacht,

  mijn woord getoetst aan wat ik dacht,

  en gij hebt mij oprecht bevonden.

2

  Gehoorzaam aan uw heilig woord,

  blijf ik gedurig op uw wegen;

  ik mijd, o Heer, wie onrecht plegen,

  zo ga ik zonder struik'len voort.

  Ik roep U aan, Heer hoog verheven,

  want gij verhoort, Gij antwoordt mij,

  wees mij genegen en nabij,

  Gij zult mij immers niet begeven?

3

  Gij hulp van wie wordt overmand,

  hoe wonderbaar kunt Gij bevrijden!

  Hoe zegent Gij die U verbeiden,

  die schuilen bij uw rechterhand.

  Behoed mij dan, laat mij niet vrezen,

  behoed de appel van uw oog;

  breid uit uw vleugels van omhoog

  en laat mij zo geborgen wezen.

4

  De vijand sluit mij in, o God!

  Ik hoor hem briesen, hoor hem brallen;

  laat mij niet in zijn handen vallen,

  hij blaast zich op, hij praalt en spot.

  Zij dringen op van alle zijden,

  belagen ons van overal,

  zij zullen zich in onze val,

  in onze ondergang verblijden.

5

  Gelijk een roofdier hurkt hij neer,

  een leeuw, - zie hem zijn klauwen scherpen.

  Sta op om hem terug te werpen,

  bedwing Gij zelf mijn vijand, Heer.

  Sla met uw zwaard de goddelozen,

  doe mij ontkomen aan hun macht

  en breek met eigen hand de kracht

  van hen die werelds heil verkozen.

6

  Wees Gij hun tot een schrik bij nacht,

  schenk rijk'lijk hun de bitt're vruchten

  van wat zij zaaiden, o Geduchte,

  hun en hun verre nageslacht.

  Maar mij doet Gij uit boze dromen

  ontwaken, o mijn Dageraad.

  Ik zie de glans van uw gelaat,

  uw zonlicht komt mij overstromen.

7

  O blij vooruitzicht dat mij streelt,

  ik zal, ontwaakt, uw lof ontvouwen,

  U in gerechtigheid aanschouwen,

  verzadigd met uw goddelijk beeld.

---

*18

#15

1

  Ik heb U lief van ganser harte, Here.

  Gij immers zult het onheil van mij weren.

  Gij zijt mijn steenrots, mijn bevrijder Gij,

  Gij zijt een muur, een vestingwal om mij.

  Mijn God, mijn schild, mijn schuilplaats in gevaren,

  mijn rots die mij beschermd en blijft bewaren,

  o hoorn des heils, U loof ik voor altijd,

  ik roep het uit, want gij hebt mij bevrijd.

2

  Met banden van de dood was ik omgeven,

  dood en verderf verstikten mij het leven;

  toen zocht ik in mijn angst Gods aangezicht.

  Hij hoorde mij van waar Hij woont in 't licht.

  Toen werd God toornig en de landen dreunden,

  de bergen daverden, de aarde kreunde.

  Gods adem rookte, zijn verbolgen mond

  ontstak een vuur, dat onverhoeds verslond.

3

  Hij daalde neer in wind en wilde luister,

  rondom zijn voeten woelden storm en duister.

  Hij zweefde op een cherub en Hij vloog

  op vleug'len van de stormwind van omhoog,

  het duister als een mantel omgeslagen,

  door waat'ren en door wolken voortgedragen.

  Hij zond een hagelstorm en bliksemlicht

  als bodem voor zijn blinkend aangezicht.

4

  Toen deed een donderslag de hemel beven,

  verschrikkelijk heeft God zijn stem verheven.

  Hij schoot zijn pijlen uit de hoge lucht,

  zijn bliksem joeg de vijand op de vlucht.

  Gij deedt het hart der aarde bovenkomen,

  Gij bracht aan 't licht de beddingen der stromen,

  ja, rampen troffen land en stroomgebied,

  't is door uw adem, door uw toorn geschied.

5

  God boog zich neer, zijn hand heeft mij gevonden

  toen mij de waat'ren aan de lippen stonden.

  Hij redde mij, toen 's vijands overmacht

  mij totterdood in d' engte had gebracht.

  Te kwader ure traden zij mij tegen,

  maar God geleidde mij op goede wegen,

  maakte ruim baan hoezeer ik werd benauwd.

  Hij is het die in liefde mij behoudt.

6

  De Heer heeft mij vergolden naar mijn daden,

  omdat ik nooit geheuld heb met het kwade,

  omdat ik steeds zijn wegen ben gegaan,

  omdat ik naar zijn wetten heb gedaan.

  Al zijn bevelen stonden mij voor ogen,

  zijn wetten die het kwade niet gedogen.

  Ja, ik heb onberisp'lijk dag en nacht

  mij voor de ongerechtigheid gewacht.

7

  De Heer heeft mij vergolden naar mijn daden,

  mijn reine handen en mijn rechte paden.

  Getrouw zult Gij voor de getrouwe zijn,

  goed voor de goede, voor de reine rein.

  Wie wel doet aan Gods knechten, aan Gods zonen,

  zult Gij als knecht, zult Gij als zoon belonen.

  Maar wie zich afwendt en uw stem niet hoort,

  Gij treedt hem tegen met uw toornig woord.

8

  Gij immers zult het arme volk verhogen,

  en Gij vernedert, Heer, de trotse ogen.

  Gij zijt mijn licht, de lamp die voor mij schijnt,

  waarvoor de dichte duisternis verdwijnt.

  Met U durf ik mij in de strijd te wagen,

  de legerbenden op de vlucht te jagen.

  Met U ga ik door water en door vuur,

  en met mijn God spring ik over een muur.

9

  Alleen Gods weg kan tot het doel geleiden,

  zijn woord is waar en zuiver t' allen tijde.

  Hij is een schild, een schuilplaats in de strijd,

  voor al wie bij hem zoekt naar veiligheid.

  Want wie is God, dan deze onze Here?

  Wie is de rots die alles kan trotseren?

  Alleen die God die mij met kracht omgordt,

  bij wie mijn levenspad een heilsweg wordt.

10

  Hij maakt mijn voeten licht als die der hinden

  en doet ze op de steilt' een steunpunt vinden.

  Hij is mijn oefenmeester van omhoog,

  door Hem geschoold span ik de koperen boog.

  Omdat Gij mij het schild uws heils wilt reiken,

  zal ik door U gesteund voor niemand wijken.

  Als Gij U tot mij wendt en mij geleidt

  word ik een held geharnast in de strijd.

11

  Uw grote kracht bevleugelde mijn schreden,

  met vaste gang kon ik in 't strijdperk treden.

  De vijand joeg ik rust'loos na, totdat

  ik hem vernietigend geslagen had.

  Ik sloeg hen neer, dat zij niet opstaan konden,

  zij vielen voor mijn voeten wijd in 't ronde.

  Zo hebt Gij mij ten strijd gegord met kracht,

  't opstandig volk doen bukken voor zijn macht.

12

  Gij hebt mijn vijand op de vlucht gedreven,

  ik heb verdelgd wie stonden voor mijn leven.

  Zij zochten hulp, geen mens koos hun partij,

  riepen tot God. Die zweeg en streed voor mij.

  Mijn leger joeg de vijand voor zich henen,

  hij werd vermaald als tussen molenstenen.

  Stof in de wind werd ieder die mij haat,

  ik vaag hen weg zoals het slijk der straat.

13

  Gij hebt mij boven burgertwist verheven

  en vreemde volken in mijn hand gegeven.

  Nauwelijks hadden zij van mij gehoord,

  of bevend bogen zij zich voor mijn woord.

  Zij smeekten mij om hen niet te vertreden,

  zij vleiden mij, zij jammerden om vrede.

  Zij kwamen uit hun sterke vestingwal,

  het verste volk zelfs maakt' ik tot vazal.

14

  De Here leeft en zij alleen geprezen.

  Hij is mijn rots en ik heb niets te vrezen.

  Hij is de God die mij voldoening geeft

  en volken aan mij onderworpen heeft.

  Hij heeft het altijd voor mij opgenomen,

  Hij deed mij aan mijn vijanden ontkomen.

  Van haat en opstand hebt Gij mij bevrijd

  en mij verlost van der tirannen nijd.

15

  Ik loof U, Heer, ik loof uw zegeningen,

  onder de volken zal ik psalmen zingen.

  De Heer heeft mij gered uit elk gevaar.

  Hoe groot, hoe onuitspreek'lijk wonderbaar!

  Hij die zijn koning met zijn glorie kroonde,

  zijn grote trouw aan zijn gezalfde toonde,

  zal door de tijden met ons verder gaan,

  met David en zijn huis nu en voortaan.

---

*19

#6

1

  De hemel roemt den Heer,

  het firmament geeft eer

  Hem, die 't heelal volbracht.

  De dag spreekt tot de dag

  van wat zijn hand vermag,

  de nacht meldt het de nacht.

  Er is geen taal, geen woord,

  toch wordt alom gehoord

  een wijd verbreide mare.

  Geen stem gaat van hen uit,

  maar overal verluidt

  hetgeen zij openbaren.

2

  God heeft de tent gemaakt,

  waarin de zon ontwaakt

  fier als een bruidegom,

  die blinkend van gewaad

  het bruidsvertrek verlaat

  en licht verspreidt alom.

  Zo, vrolijk als een held

  die tot de zege snelt,

  roept hij de nieuwe morgen;

  hij trekt zijn glanzend spoor

  de ganse hemel door:

  zijn gloed laat niets verborgen.

3

  Volmaakt is 's Heren wet,

  die ons verkwikt en redt,

  waarbij de ziel herleeft.

  Getrouw en gans gewis

  is Gods getuigenis,

  dat dwazen wijsheid geeft.

  Des Heren woord is goed,

  wie zijn bevelen doet,

  zijn hart wordt opgetogen.

  Recht is het woord van God

  en louter zijn gebod,

  een licht voor onze ogen.

4

  Des Heren vrees is rein,

  zo zal ik zeker zijn

  van d' allergrootste schat.

  Al wat waarachtig is,

  bestendig en gewis,

  is in zijn wet vervat.

  Die wet is 't hoogste goed,

  meer kostelijk en zoet

  dan 't edelst van de honing;

  begeerlijker dan goud,

  blijft dit ons laatst behoud:

  het woord van onze Koning.

5

  Zo blijft Gij, God, uw knecht,

  en houdt zijn paden recht

  in 't spoor door U gewild.

  Wie uw geboden acht,

  wie trouw uw wet betracht

  beloont Gij ruim en mild.

  Maar zonder U, o Heer,

  verdwaal ik altijd weer

  op zelfgekozen wegen.

  O, reinig metterdaad

  mij van 't verborgen kwaad,

  en leid mij met uw zegen!

6

  Als Gij uw knecht behoedt,

  o Heer, zal overmoed

  niet heersen over mij.

  Legt Gij mijn drift in toom,

  dan leef ik recht en vroom,

  van grote zonden vrij.

  Breng mij uw aangezicht

  mijn wens en woord in 't licht

  door al mijn levensdagen.

  Verlosser, zie mij aan,

  mijn Steenrots, doe mij staan

  in uw groot welbehagen.

---

*20

#6

1

  Moge de Heer u antwoord geven

  als u het kwaad benauwt.

  U wacht een onaantastbaar leven,

  zo gij zijn naam vertrouwt.

  God geeft zijn vaandel hoog verheven

  om ons zijn heil te tonen;

  daarin heeft Hij zijn wil geschreven:

  Mijn volk zal veilig wonen.

2

  Moge de heer u hulp toezenden,

  steun uit zijn heilig oord.

  Hij zal zich tot uw offers wenden,

  Hij, die uw roepen hoort.

  Isra‰ls Heer zal voor ellende

  en onheil u behoeden.

  Hij, die uw hartewensen kende,

  zij krachtig u ten goede.

3

  Gij weet, wij willen u toejuichen

  wanneer gij triomfeert.

  Wij willen in Gods naam getuigen:

  Hij gunt wat gij begeert.

  Wij willen dat de stemmen zwijgen

  die thans u tegenspreken,

  wij willen, als de vlaggen nijgen,

  Gods vaandels hoog opsteken.

4

  Nu weet ik, God doet triomferen

  zijn uitverkoren knecht,

  ik weet, dat Hij - de heer der heren -

  ons handhaaft in zijn recht.

  Hij antwoordt uit zijn hoge sferen

  met hulp en heil daadkrachtig,

  om dood en onheil af te weren

  is Hij zijn volk indachtig.

5

  Hoe men zich ook verheft en hoe men

  praalt met zijn wapening,

  wij willen om zijn kracht niet roemen

  enig geschapen ding,

  maar 's Heren naam als houvast noemen,

  die ons zal staande houden

  en die tot ondergang zal doemen

  al wie op macht betrouwde.

6

  Heer, laten Isra‰ls banieren

  bevrijd en zegenrijk

  het land van uw belofte sieren

  ten teken van uw Rijk.

  O, laat de koning zegevieren

  voor aller mensen ogen;

  dat God de Here goedertieren

  ons antwoord geven moge.

---

*21

#7

1

  O Heer, de koning is verheugd!

  Hij wil uw almacht prijzen,

  U juichend dank bewijzen.

  Gij schonk hem dapperheid en deugd.

  Gij hebt op zijn gebed

  hem door uw hulp gered.

2

  Gij zijt hem tegemoet gegaan

  met rijke zegeningen.

  Gij hebt in alle dingen

  zijn diepste hartewens verstaan.

  Gij hebt u mild betoond:

  Gij hebt uw knecht gekroond.

3

  Al wat de koning had begeerd

  van U, o God, was leven;

  en Gij hebt hem gegeven

  een leven dat de tijd trotseert,

  een leven voor altijd

  in onvergank'lijkheid.

4

  Groot wordt zijn roem, zo Gij hem helpt.

  Hij zal naar alle zijden

  het heilzaam licht verspreiden

  waarmede Gij hem overstelpt.

  Vertrouwend op zijn Heer

  wankelt hij nimmermeer.

5

  Moge uw hand de vijand slaan

  en roken doen zijn landen.

  Moge Gods toorn ontbranden

  en 't boos geslacht doen ondergaan.

  Dan zal de aarde rein,

  bevrijd de mensheid zijn.

6

  Spant ook d' onzaalge nog een strik

  om U ten val te brengen,

  hij zal het niet volbrengen,

  ja hij zal vluchten voor uw blik

  die Gij op zijn gezicht

  als pijlen houdt gericht.

7

  Verhef U in uw kracht, o Heer,

  toon uw geducht vermogen

  aan sterfelijke ogen.

  Wij willen zingen tot uw eer,

  willen uw wondermacht

  lofzingen dag en nacht.

---

*22

#13

1

  Mijn God, Mijn God, waarom verlaat Gij mij

  en blijf zo ver, terwijl ik tot U schrei,

  en redt mij niet, maar gaat aan mij voor bij?

  Hoe blijft Gij zwijgen?

  Mijn God, ik doe tot U mijn kreten stijgen

  bij dag, bij nacht. Tot U slechts kan ik vluchten,

  maar krijg geen rust, geen antwoord op mijn zuchten

  in klacht op klacht.

2

  Nochtans, op U, o God die heilig zijt

  en troont op lofgezangen, U gewijd

  door Isra‰l dat gij hebt uitgeleid,

  steunt ons vertrouwen,

  immers, de vaad'ren bleven op U bouwen,

  dat Gij hen naamt in heilige bescherming:

  Gij hebt, als zij riepen om ontferming,

  hen niet beschaamd.

3

  Maar ik, mijn God, lig machteloos terneer.

  Ik word vertrapt, ik heb geen leven meer.

  Meesmuilend gaan zij tegen mij tekeer,

  al die mij smaden.

  Zij raden mij, terwijl zij mij verraden:

  "Zoek het bij God, geef Hem uw leed te dragen,

  Hij zal u redden naar zijn welbehagen",

  zo klinkt hun spot.

4

  Gij die mijn ogen 't levenslicht ontsloot,

  mij hebt geroepen uit de moederschoot,

  mij aan mijn moeders borst een rustplaats bood,

  voor kwaad beveiligd,

  Gij hebt mij U ten eigendom geheiligd.

  Gij, die alleen mijn God zijt en mijn Vader,

  blijf mij niet ver, want nu het onheil nadert

  helpt mij niet een.

5

  Ik ben alleen als in een leeuwenkuil.

  Mijn oren zijn vervuld van hun gehuil,

  en waar ik opzie, staar ik in de muil

  van wilde dieren.

  Buffels van Basan, sterke jonge stieren,

  staan om mij heen, die met hun hoge hoornen

  en bliksemende ogen op mij toornen -

  ik ben alleen.

6

  Ik vloei daar heen, als water in het zand.

  Mijn vlees en been verloor zijn vast verband,

  mijn hart werd was, dat in mijn ingewand

  geen vorm bewaarde.

  Hebt Gij, o God, mij uit het stof der aarde

  eenmaal verhoogd, dat ik in 't stof zou sterven?

  Mijn tong en keel zijn als gebroken scherven,

  mijn kracht verdroogt.

7

  Het grauw dringt op, als honden van rondom,

  doorboort mijn hand en voet en brengt mij om.

  Mijn lijf verteerde tot de lege som

  van mijn geraamte.

  Zij kennen voor een stervende geen schaamte,

  lachen hem uit die zich niet kan verweren,

  en delen reeds, al dobbelend, zijn kleren,

  hun tot een buit.

8

  O blijf van mij niet ver, mijn God, mijn Heer!

  Mijn Sterke, spoed U, ik behoef U zeer!

  Mijn vege rest zal zonder tegenweer

  haast zijn verslonden.

  Red dan mijn leven uit de muil der honden!

  Kom uit de klauw der leeuwen mij ontzetten!

  Laat toch uw hand hun boos geweld beletten!

  Toon mij uw trouw!

9

  Gij hebt verhoord! O God, mijn Heer, ik zal

  U loven voor mijn broeders overal

  en in de kring van uw verkoren tal

  uw naam verkonden:

  "O broeders, die den Here hebt gevonden,

  laat Hem uw spel, o zaad van Jakob, prijzen,

  en wil Hem vol ontzag uw eer bewijzen,

  o Isra‰l".

10

  Want geenszins achtte mij de Heer gering,

  die lag vernederd in vernedering.

  Hij heeft mijn leven aan vernietiging

  niet prijsgegeven!

  Hij heeft zijn aanschijn over mij verheven

  en op mijn woord, dat met geween en klagen

  oprees tot Hem om zijne hulp te vragen,

  heeft Hij gehoord!

11

  Van U komt, Heer, het loflied dat ik zing:

  laat mij vergelden al wat ik ontving.

  Laat mij U loven in de grote kring

  van die U vrezen!

  Gij need'rig volk, gij zult gezeten wezen

  aan een festijn! Die God zoekt, moet Hem prijzen!

  O, haal uw hart op aan zijn gunstbewijzen,

  die eeuwig zijn.

12

  Dit zal gedenken wie zich nog verweert,

  tot alle natie zich tot Hem bekeert

  en voor de Koning die het al regeert

  zich neer zal buigen.

  De verste einden zullen het getuigen,

  dat niets gelijk aan zijn verheven macht is,

  dat Hem de heerlijkheid, dat Hem de kracht is,

  het Koninkrijk!

13

  Eet dan, die zit in 's werelds overvloed,

  of daal in 't stof wanneer gij sterven moet, -

  bij dood of leven, voor- of tegenspoed,

  zult gij toch allen

  voor Gods gerechtigheid ter aarde vallen!

  Ook het geslacht, dat nog niet is geboren,

  zal eenmaal van den Heer getuigen horen,

  dat Hij 't volbracht!

---

*23

#3

1

  Ik wil van God als van mijn Herder spreken.

  Onder zijn hoede zal mij niets ontbreken.

  Groen is het land waarin Hij mij doet komen,

  fris is de bron die hij voor mij doet stromen.

  Hij sterkt mijn ziel en wijst mij rechte wegen,

  opdat ik Hem zal prijzen om zijn zegen.

2

  Zelfs door een dal van diepe duisternissen

  waar ik het licht der levenden moet missen,

  vrees ik geen kwaad, want Gij zijt aan mijn zijde

  met stok en staf, tot troost en tot geleide.

  Onder het oog van hen die mij verraden

  richt Gij mij toe het nachtmaal der genade.

3

  Gij zalft mijn hoofd met d' olie van uw vrede,

  Gij vult mijn kelk met gelukzaligheden.

  Ja, zaligheid en liefde en welbehagen

  zullen mij volgen al mijn levensdagen.

  Ik zal het welkom horen van mijn koning

  en jaar aan jaar verblijven in zijn woning.

---

*24

#5

1

  De aarde en haar volheid zijn

  des Heren koninklijk domein,

  de wereld en die daarin wonen.

  Het land rijst uit de oceaan,

  rivieren breken zich ruim baan

  om Gods volmaakte macht te tonen.

2

  Wie is de mens die op zal gaan

  en voor Gods heilig aanschijn staan?

  Wie mag de tempel binnentreden?

  Wie niet op loze wijsheid bouwt,

  zijn hart en handen zuiver houdt

  van kwade trouw en valse eden.

3

  God is hem zegenrijk nabij,

  in 't recht des Heren wandelt hij,

  de God des heils zal hem verblijden.

  Een nieuw geslacht gaat op in 't licht

  en zoekt des Heren aangezicht,

  Jakob, het volk dat Hij zal leiden.

4

  Gij poorten, heft uw hoofd omhoog,

  aloude deur, maak wijd uw boog,

  ruim baan voor de verheven koning.

  Wie is die vorst zo groot in kracht?

  Het hoofd van 's hemels legermacht!

  Hij komt, Hij maakt bij ons zijn woning.

---

*25

#10

1

  Heer, ik hef mijn hart en handen

  op tot U, beslecht mijn zaak.

  Weer van mij de smaad en schande

  van mijns vijands leedvermaak.

  Ja, zij worden zeer beschaamd

  die de goede trouw verachten,

  maar wie uw gebod beaamt,

  mag gelovig U verwachten.

2

  Here, maak mij uwe wegen

  door uw Woord en Geest bekend;

  leer mij, hoe die zijn gelegen

  en waarheen G' uw treden wendt;

  leid mij in uw rechte leer,

  laat mij trouw uw wet betrachten,

  want Gij zijt mijn heil o Heer,

  'k blijf U al den dag verwachten.

3

  Denk aan 't vaderlijk meedogen,

  Heer, waarop ik biddend pleit:

  milde handen, vriend'lijk' ogen

  zijn bij U van eeuwigheid.

  Denk toch aan de zonde niet

  van mijn onbedachte jaren!

  Heer, die al mijn ontrouw ziet,

  wil mij in uw goedheid sparen.

4

  God is goed, Hij is waarachtig

  en gaat zijn getrouwen voor,

  brengt, aan zijn verbond gedachtig,

  zondaars in het rechte spoor.

  Hij zal leiden 't zacht gemoed

  in het effen recht des Heren:

  wie Hem need'rig valt te voet,

  zal van Hem zijn wegen leren.

5

  Louter goedheid zijn Gods wegen

  en zijn paden zijn vertrouwd

  voor wie, tot zijn heil genegen,

  zijn geboden onderhoudt.

  Wil mij, uwen naam ter eer,

  al wat ik misdeed vergeven.

  Ik heb tegen U, o Heer,

  zwaar en menigmaal misdreven.

6

  Wie heeft lust de Heer te vrezen,

  't allerhoogst en eeuwig goed?

  God zal zelf zijn leidsman wezen,

  leren hoe hij wand'len moet.

  Wie het heil van Hem verwacht

  zal het ongestoord verwerven,

  en zijn zalig nageslacht

  zal 't gezegend aardrijk erven.

7

  Gods verborgen omgang vinden

  zielen waar zijn vrees in woont;

  't heil'geheim wordt aan zijn vrinden

  naar zijn vreeverbond getoond,

  d' Ogen houdt mijn stil gemoed

  opwaarts, om op God te letten:

  Hij, die trouw is, zal mijn voet

  voeren uit der bozen netten.

8

  Zie op mij in gunst van boven,

  wees mij toch genadig, Heer!

  Eenzaam ben ik en verschoven,

  ja, d' ellende drukt mij neer.

  't Roep U aan in angst en smart,

  duizend zorgen, duizend doden

  kwellen mijn bekommerd hart:

  voer mij uit mijn angst en noden!

9

  Sla op mijn ellende d' ogen,

  zie mijn moeite, mijn verdriet,

  neem mijn zonden uit meedogen

  gunstig weg, gedenk die niet.

  Red mij en bewaar mijn ziel,

  wil, mijn God, mij niet beschamen,

  want ik schuil bij U, ik kniel

  met uw ganse volk tezamen.

10

  Mogen mij toch steeds behoeden

  vroomheid en waarachtigheid.

  Hoopvol is het mij te moede,

  U verwacht ik t' allen tijd.

  Here God van Isra‰l,

  red uw volk in tegenspoeden!

  Toon uw goddelijk bestel,

  dat uw hand ons toch behoede!

---

*26

#5

1

  O Heer, op wie ik pleit,

  in mijn eenvoudigheid

  heb ik geleefd, U toegewend.

  Op U is al mijn hopen.

  Ik leg mij voor U open,

  die mij in hart en nieren kent.

2

  Mijn oog ziet, waar ik ga,

  uw trouw en uw gena.

  Ik ben niet in de kring gegaan

  der valsen en verraders,

  bij listig' euveldaders

  en leugenaars zat ik niet aan.

3

  Ik was mijn handen rein,

  dat ik bij hen mag zijn,

  die in een stoet om uw altaar

  uw wond'ren zingend eren,

  want ik heb lief, o Here,

  uw hoge woning wonderbaar!

4

  O Heer, verstoot mij niet

  als een die bloed vergiet,

  of die zijn handen heeft gevuld

  met schandelijke handel.

  Onstraf'lijk is mijn wandel:

  verlos mij, stel mij buiten schuld.

5

  Verenigd in uw naam

  met allen die tezaam

  U dienen met oprecht gemoed,

  zal ik uw lof verheffen.

  Mijn weg is recht en effen:

  ik treed U zingend tegemoet.

---

*27

#7

1

  Mijn licht, mijn heil is Hij, mijn God en Here!

  Waar is het duister dat mij onheil baart?

  Mijn hoge burcht is Hij, niets kan mij deren,

  in zijn bescherming ben ik wel bewaard!

  Of zich de boosheid tegen mij verbindt

  en op mij loert opdat zij mij verslindt,

  ik ken geen angst voor nood en overval:

  het is de Heer die mij behouden zal!

2

  Een ding slechts kan ik van den Heer verlangen,

  dit ene: dat zijn gunst mij eenmaal geev'

  Hem dagelijks te loven met gezangen,

  te wonen in zijn huis zo lang ik leef!

  Hoe lieflijk straalt zijn schoonheid van omhoog.

  Hier weidt mijn ziel met een verwonderd oog,

  aanschouwende hoe schoon en zuiver is

  zijn licht, verlichtende de duisternis.

3

  Hoe heeft Hij mij ten dage van het kwade

  verborgen in het binnenst van zijn hut:

  geen vijandschap ter wereld kon mij schaden,

  de schaduw van zijn wolk heeft mij beschut.

  Hij stelde mij als op een hoge rots,

  het woelen van mijn vijanden ten trots;

  daarom wil ik met vrolijk feestgerei

  juichen voor Hem, want Hij bewaarde mij! -

4

  Zoals Gij eenmaal mijn geroep verhoorde,

  zo spreek weer tot uw knecht en geef hem licht.

  Mijn hart zegt stil de liefelijke woorden

  die Gij eens zeide: "Zoek mijn aangezicht".

  Uw aangezicht, ik wil het zoeken, Heer!

  Verberg het niet, beproef mij niet te zeer!

  Ik hoop geen heil dan Gij voor mij bewaart,

  ik smacht naar 't uur dat Gij U openbaart!

5

  Laat mij toch nimmermeer uw toorn verwekken,

  verstoot hem niet die U in zwakheid dient.

  Zoudt Gij uw heerlijk aangezicht bedekken,

  zo wordt mijn leven leeg en zonder vriend.

  Gij zijt het enigst dat mijn hart bezit!

  Van al mijn schatten bleef mij niets dan dit:

  Gij zijt de helper die mij niet verlaat,

  als vader en als moeder van mij gaat.

6

  Wijs mij de wegen die ik zal betreden,

  maak nu de paden effen voor mijn voet.

  Als mij benauwt een drieste leugenrede,

  leer mij de woorden die ik zeggen moet.

  O geef mij aan mijn lasteraars niet prijs,

  als zij mij kwellen met een vals bewijs.

  Mijn God, zij blazen nijd en snuiven haat:

  wees Gij de helper die mij niet verraadt.

7

  O als ik niet met opgeheven hoofde

  zijn heil van dag tot dag verwachten mocht!

  O als ik van zijn goedheid niet geloofde,

  dat Hij te vinden is voor die Hem zocht!

  Wees dapper, hart, houd altijd goede moed!

  Hij is getrouw, de bron van alle goed!

  Wacht op den Heer, die u in zwakheid schraagt,

  wacht op den Heer en houd u onversaagd.

---

*28

#5

1

  Ik roep tot U, mijn rots, mijn Here!

  Blijf U niet zwijgend van mij keren,

  ik word een dode met de doden,

  als Gij U doof houdt voor mijn noden.

  Ik hef mijn hand naar waar Gij zijt,

  verborgen in uw heiligheid.

2

  Stoot mij niet van U met de bozen,

  tref mij niet met de goddelozen,

  die heim'lijk, met een mond vol vrede,

  de plannen van hun boosheid smeden.

  Doe hen naar hunner handen daad,

  vergeld ze naar hun eigen kwaad!

3

  Omdat zij op het werk des Heren

  niet letten, noch zijn daden eren,

  zal Hij bespotten, wat zij spreken,

  en wat zij bouwen zal Hij breken,

  dat het tot stof wordt in de wind

  en niemand meer hun standplaats vindt.

4

  Geloofd zij God, die naar mijn woorden,

  mijn smeken en mijn klagen hoorde.

  Hij is mijn schild en mijn betrouwen,

  een bolwerk voor wie op Hem bouwen!

  Nu juicht mijn hart, nu juicht mijn stem!

  en met mijn loflied prijs ik Hem.

5

  Hij is een kracht voor al de zijnen!

  Hij zal hun tot een hulp verschijnen

  en zijn gezalfde tot een zegen!

  Verlos uw erfdeel allerwegen!

  Uw eigendom, o Here, weid

  en draag het tot in eeuwigheid!

---

*29

#6

1

  Gij die hoog verheven zijt,

  geeft den Here heerlijkheid,

  geeft des Heren naam de eer,

  buigt u juichend voor Hem neer.

  Hoort de grote stem des Heren,

  alles moet zich tot Hem keren.

  Machten, die het hoofd opsteken,

  worden stil als God gaat spreken.

2

  Op de waat'ren wijd en zijd

  dreunt zijn stem vol majesteit.

  Grote vloeden stuwt Hij voort

  en Hij dwingt ze met zijn woord.

  Donderslagen doet hij spreken

  en de watermassa's smeken.

  Hoort de grote God der ere!

  machtig is de stem des Heren.

3

  Sterke bomen buigt zijn stem.

  Hoogten knielen neer voor Hem.

  Zelfs de trotse ceder breekt

  als de storm zijn machtwoord spreekt.

  Bergen als gehoornde dieren

  springen op om God te vieren.

  In de reidans voor zijn ogen

  wordt de Libanon bewogen.

4

  Uit het hart der duisternis,

  uit de nacht van het gemis,

  houwt des Heren stem het licht

  als een vlam, een bliksemschicht.

  Ja, zijn stem is op de steppe

  als de winden die zich reppen;

  als de storm zal Hij verschijnen,

  beven doet Hij de woestijnen.

5

  Tot in 't diepste van het bos

  maakt zijn stem de stammen los,

  plant de echo van het woord

  zich in dood en leven voort.

  Ja, zijn stem in storm en regen

  brengt ontzetting allerwegen.

  Maar die in zijn huis verkeren

  zingen luid de lof des Heren.

6

  Boven 't bodemloos geweld

  heeft de Heer zijn troon gesteld.

  Hij die zetelt op de vloed,

  Koning zal Hij zijn voorgoed.

  Levenskracht zal Hij ons geven,

  ja, zijn volk zal Hij doen leven.

  Overvloedig deelt Hij mede

  voorspoed en geluk en vrede.

---

*30

#5

1

  Dank, Heer, Gij hebt het niet gedoogd

  dat vreugd mijn vijand heeft verhoogd!

  Mijn God, om hulp riep ik U aan,

  en Gij schonkt mij dit nieuw bestaan!

  Het donker doodsrijk met zijn dreiging

  werd tot een schaduw die voorbijging.

2

  Heft tot zijn eer een lofzang aan,

  gij die den Heer zijt toegedaan.

  Zijn gramschap duurt een kleine tijd,

  een leven zijn goedgunstigheid.

  Die wenend 's nachts is neergezegen

  gaat met gejuich het zonlicht tegen.

3

  Hoe zorgeloos had ik gedacht

  dat ik, bevestigd door uw kracht,

  o Here, boven elk gevaar

  stond als een berg, onwankelbaar!

  Maar nauw'lijks hieldt Gij U verborgen,

  of mij omringden schrik en zorgen.

4

  Ik riep U aan in grote nood:

  "Ach Heer, wat winst is in mijn dood?

  Zal ik nog zingen tot uw lof,

  als ik terneerlig, stof in stof?

  Heer, hoor mij, zend mij uw bescherming!

  Heer, red mij, toon mij uw ontferming!"

5

  Gij hebt mijn weeklacht en geschrei

  veranderd in een blijde rei!

  Mijn rouwkleed hebt Gij weggedaan,

  uw vreugdekleed deedt Gij mij aan,

  dat ik zou zingen tot uw ere

  in eeuwigheid, mijn God, mijn Here!

---

*31

#19

1

  Op U vertrouw ik, Heer der Heren,

  Gij die mijn sterkte zijt.

  Om uw gerechtigheid

  wil nimmer mij de rug toekeren.

  Betoon mij uw nabijheid

  en stel mij in de vrijheid.

2

  Hoor toch mijn roepen, hoor mijn klagen,

  snel mij te hulp, o God,

  maak niet uw knecht ten spot.

  De vijand dreigt en legt zijn lagen,

  wees mij dan, Gij geduchte,

  een burcht om in te vluchten.

3

  Gij zijt mijn rots, Gij wilt mij wezen,

  om uwen naam, o Heer,

  toevlucht en tegenweer.

  Gij leidt mij uit, ik zal niet vrezen.

  Al spannen zij hun netten,

  Gij zelf zult mij ontzetten.

4

  In uwe handen, God almachtig,

  beveel ik nu mijn geest.

  Mijn hart is onbevreesd.

  Ik ben altijd uw trouw indachtig,

  mijn God, die als ik schreide

  mij troostte en bevrijdde.

5

  Ik haat ze, die hun wierook branden

  voor leugengoden, Heer:

  zij roven U de eer.

  Maar ik leg in uw trouwe handen

  mijn aangevochten leven.

  Gij zult mij nooit begeven.

6

  Ik wil mij, Heer, in U verblijden,

  die hulp bood in de dag

  dat ik geen uitkomst zag,

  die steeds mij uit de engte leidde;

  dan mocht met lichte schreden

  ik in de ruimte treden.

7

  Doe mij genadig weer aanschouwen

  uw liefelijk gelaat,-

  ik ben ten einde raad.

  Wek in mijn ziel een nieuw vertrouwen.

  Hoe is mijn moed geslonken,

  het hart is mij ontzonken.

8

  Mijn dagen teren op in klachten,

  mijn jaren gaan voorbij

  met zuchten en geschrei;

  Door eigen schuld vergaan mijn krachten,

  de schaamte knaagt van binnen,-

  doe mij uw gunst herwinnen!

9

  Voor hen die tegen mij zich wendden,

  werd ik een smaad o God,

  het mikpunt van hun spot.

  Ik werd een schrik voor mijn bekenden:

  komt men op straat mij tegen

  dan kiest men and're wegen.

10

  Ik ben voor hen gelijk een dode,

  weg uit hun oog en hart,

  om mij heeft niemand smart.

  O God, wie heeft mij nog van node?

  Ik ben door elk vergeten,

  als afval weggesmeten.

11

  Ik hoor hun lachen en gefluister,

  zij loeren op mijn val

  altijd en overal.

  Zie, zij verbergen zich in 't duister,

  zij zijn met velen samen

  die mijn verderf beramen.

12

  Maar ik vertrouw op U, mijn tijden,

  o Heer, zijn in uw hand;

  maak mij dan niet te schand!

  Ach, kom mij uit de hand bevrijden

  van wie, op mij verbolgen,

  mij totterdood vervolgen.

13

  Doe over mij genadig lichten

  uw liefelijk gelaat,

  verlos mij van hun haat.

  Kom om uw knecht weer op te richten,

  hem die in zijn ellende

  zich altijd tot U wendde.

14

  Beschaam wie zich aan U niet storen,

  stoot in het graf hen neer,

  met stomheid sla ze, Heer!

  Bescherm wie aan U toebehoren,

  dat niet de hoon hen treffe

  van wie zich hoog verheffen.

15

  Hoe groot is 't goed, dat Gij, o Heer,

  hebt weggelegd voor hem,

  die acht slaat op uw stem.

  Gij zijt voor wie zich tot U keren

  een schuilplaats uit den hoge

  voor aller mensen ogen.

16

  Gij doet in 't licht hen toevlucht vinden,

  dat van uw aanschijn straalt.

  Geen die hen achterhaalt.

  Wie zich ook tegen hen verbinden,

  geen laster kan ze deren

  die bij U schuilen, Here.

17

  Geprezen zij de Heer, mijn Koning,

  Hij die zijn knecht ontmoet

  met gaven groot en goed.

  Toen 't kwaad zich saamtrok om mijn woning,

  kwam Hij mijn val beletten,

  was Hij 't die mij ontzette.

18

  Ik voelde mij wel afgesneden,

  gebannen uit uw oog,

  Gij waart zo ver, zo hoog.

  Maar, Heer, Gij hoorde mijn gebeden.

  Gij laat toch wie U smeken

  uw bijstand niet ontbreken.

19

  God slaat de trotsen die Hem griefden,

  maar steunt met raad en daad

  wie zich op Hem verlaat.

  Hoopt op den Heer, gij zijn geliefden,

  houdt moed, blijft Hem verwachten,

  hij schenkt u nieuwe krachten.

---

*32

#4

1

  Heil hem, wien God zijn ontrouw heeft vergeven

  en toegedekt al wat hij had misdreven,

  God rekent hem zijn dwalingen niet aan-

  heil hem, die recht voor God is komen staan!

  Ik kwijnde weg, zolang ik zwijgen wilde,

  in zelfbeklag mijn levenskracht verspilde,

  want dag en nacht woog zwaar op mij uw hand,

  mijn leven werd zo dor als dorstig land.

2

  Nu heb ik, Heer, mijn zonde U beleden;

  ik weet dat ik uw wet heb overtreden.

  Ik was ontrouw, ik was van kwaad vervuld,

  maar Gij vergaaft het, Gij verzoent mijn schuld.

  Laat daarom tot U komen uw beminden,

  stoot hen niet af, doch laat U door hen vinden.

  Duistere vloeden stormen op hen aan,

  Gij stelt een perk, Gij zult ons vast doen staan.

3

  Gij zijt, o Heer, mijn schuilplaats en mijn haven,

  Gij zult aan mij al uw beloften staven.

  Wat mij benauwt, Gij stelt U aan mijn zij,

  omringt met lied'ren van bevrijding mij!

  Gij zult mij voortaan door uw trouw bewaken,

  Gij zult mijn leven vol van vreugde maken.

  Ik zal mijn weg lichtvoetig verder gaan,

  Gij gaat mij voor, Gij maakt voor mij ruim baan.

4

  Zo spreekt de Heer: "Mijn weg zal Ik u wijzen,

  u ziet mijn oog, waarheen gij ook zult reizen.

  Wees niet een dier dat koppig tegenstreeft,

  zich slechts aan toom en bit gewonnen geeft".

  Wie God ontvliedt heeft ondergang te vrezen-

  wie tot Hem komt, mag bij Hem veilig wezen.

  Gij die oprecht van hart en wandel zijt,

  verheugt u in den Heer te allen tijd!

---

*33

#8

1

  Komt nu met zang en roert de snaren,

  gij volk, dat leeft van 's Heren recht.

  Hijzelf heeft zijn getrouwe scharen

  een lofzang in de mond gelegd.

  Word' als nooit tevoren door wie Hem behoren

  't feestlied ingezet!

  Meldt de blijde mare bij de klank der snaren,

  steekt de loftrompet.

2

  Zingt al wie leeft van Gods genade,

  want waarheid is al wat Hij zegt.

  Op trouw gegrondvest zijn zijn daden,

  op liefde rust zijn heilig recht.

  Die zich openbaarde overal op aarde,

  alles spreekt van Hem.

  Heem'len hoog verheven, vol van blinkend leven

  schiep Hij door zijn stem.

3

  Hij stuwt het water op tot muren,

  de zee staat als een sterke wand.

  Hij sluit de oervloed in zijn schuren

  en weert ze van het vaste land.

  Laat in heilig beven wie op aarde leven

  vrezen voor Gods raad.

  Hij hoeft maar te spreken, Hij geeft maar een teken:

  wat Hij wil ontstaat.

4

  Wat ook de volkeren beramen,

  Hij slaat het stuk met sterke hand.

  Hij zal hun trots beraad beschamen,

  zijn raadsbesluit houdt eeuwig stand.

  Heel het mensenleven,

  aller volken streven

  rust in Gods beleid.

  Zalig die Hem eren,

  't volk, het erf des Heren,

  nu en voor altijd.

5

  Van waar Hij woont, in 't licht verheven,

  ziet God op deze aarde neer.

  Al wat door mensen wordt bedreven,

  een open boek is 't voor de Heer.

  Woord voor woord te lezen

  is voor Hem hun wezen,

  want Hij vormt hun hart.

  Wat zij ook verzinnen,

  heimelijk beginnen,

  wordt door Hem ontward.

6

  Geen vorst, al gordt hij zich ten strijde,

  geen legermacht behoudt het veld.

  God zal de nederlaag bereiden

  aan hen die bouwen op geweld.

  Zij die zich vermeten,

  hoog te paard gezeten,

  bijten in het zand.

  Nederlaag en zege

  zijn alleen gelegen

  in des Heren hand.

7

  Heil hem, die hoopt in vrees en beven

  op Gods genadig aangezicht.

  Wie op zijn gunst vertrouwt zal leven,

  God houdt het oog op hem gericht.

  Ja, Hij kent de zijnen,

  Hij laat niet verkwijnen

  wie zijn hulp verbeidt.

  Koninklijk van gaven

  wil de Here laven

  wie ontbering lijdt.

8

  Wij wachten stil op Gods ontferming,

  ons hart heeft zich in Hem verheugd.

  Hij komt te hulp en geeft bescherming,

  zijn heil'ge naam is onze vreugd.

  Laat te allen tijde

  uwe liefd' ons leiden,

  uw barmhartigheid.

  God, op wien wij wachten,

  geef ons moed en krachten

  nu en voor altijd.

---

*34

#9

1

  Ik loof den Heer altijd.

  Steeds zingt mijn mond zijn lof, zijn eer.

  Ja, ik beroem mij op den Heer

  en prijs zijn hoog beleid.

  Gods kleinen horen mij

  en zij verheugen zich tezaam.

  Verheft met mij des Heren naam,

  zegent dien en weest blij.

2

  'k Heb naar den Heer gevraagd

  en Hij beantwoordt mijn gebed.

  Hij heeft mij van mijn angst gered,

  en mijn verlossing daagt.

  Die opzien naar den Heer,

  zij zullen blinken in het licht,

  geen schaamrood is op hun gezicht,

  nooit slaan zij d' ogen neer.

3

  Een arme riep in nood.

  De Here hoorde naar zijn stem,

  God, die in al zijn angsten hem

  uitzicht en redding bood.

  Rondom Gods knechten staat

  des Heren engel als een wacht.

  Hij weert des vijands overmacht

  en redt hen van het kwaad.

4

  Komt nader, ziet en proeft,

  opdat men smake naar waardij

  des Heren goedheid. Zalig hij

  die veilig bij Hem toeft.

  Die thuis hoort in Gods kring,

  dient met ontzag zijn hoog bewind.

  Zelfs waar de leeuw geen voedsel vindt

  wacht u verzadiging.

5

  Komt kind'ren, hoort mij aan.

  Wie vindt een leven lang en goed?

  Hij die Gods wil met vreugde doet

  en in zijn dienst wil staan.

  Weerhoud uw tong van kwaad

  zodat gij niemand schade doet.

  wijk van het kwade en doe goed,

  sticht vrede metterdaad.

6

  Wie houdt het rechte spoor,

  Gods oog is hem een vriendlijk licht,

  en wie zich smekend tot Hem richt,

  vindt bij Hem open oor.

  Maar Gods geducht gelaat

  treft alle bozen met zijn vloek.

  Hij delgt hun namen uit zijn boek,

  hun heugenis vergaat.

7

  Wie God roept hoort Hij aan

  en Hij verlost wie is benard.

  Hij zal gebrokenen van hart

  in gunst terzijde staan.

  Wie 's Heren wet betracht

  vindt in de wereld droefenis,

  maar God, die zijn verlosser is,

  blijft op zijn heil bedacht.

8

  God laat hem nooit alleen;

  Hij die zijn beenderen behoedt,

  ziet toe, dat hem geen kwaad ontmoet,

  gebroken wordt er geen.

  Maar goddelozen gaan

  te gronde aan hun eigen kwaad.

  Een ieder die Gods knechten haat

  zal voor Hem schuldig staan.

9

  De Heer verlost en spaart

  het leven van wie Hem bemint.

  Al wie bij God zijn toevlucht vindt

  wordt schuldeloos verklaard.

---

*35

#10

1

  Twist, Here, met mijn twisters, strijd

  tot Gij uw dienaar hebt bevrijd.

  Grijp schild en zwaard, ja snel te wapen

  en sla de wolven, red uw schapen.

  Zeg tot mijn ziel: Ik ben uw heil,

  Ik heb voor u mijn leven veil-

  maak toch te schande wie mij jaagt

  ten dode toe en mij belaagt.

2

  Laat hen toch worden als het kaf

  en waai hen van de aarde af.

  Engel des Heren, maak hun wegen

  duister en treed hen wrekend tegen.

  Al wie een val zet voor mijn ziel,

  ach, Heer, dat hij daar zelf in viel,

  en doe die mij naar 't leven staan

  in eigen laag en list vergaan.

3

  Zo zal mijn hart zich voor den Heer

  vrolijk verhogen tot zijn eer,

  en al mijn vlees en bloed zal zingen;

  Geen macht kan met U mededingen.

  O Heer, wie is aan u gelijk,

  die den ellendige bevrijdt

  en onze nooddruft veilig stelt

  voor onderdrukking en geweld.

4

  Boze getuigen staan gereed

  en eisen wat ik zelf niet weet,

  met kwaad vergelden zij het goede;

  zie mij hier blootstaan aan hun woede!

  Maar ik, ik ging in zak en as

  alsof het voor een broeder was,

  ik heb gebeden en gerouwd

  toen ik hun lijden had aanschouwd.

5

  Zij scholen samen als ik lijd,

  over mijn leed zijn zij verblijd.

  Zij spotten in hun goddeloosheid,

  bedelven mij onder hun boosheid.

  O Heer, hoelang nog ziet Gij toe?

  Zijt Gij hun brullen nog niet moe?

  Verlos mij als uw onderpand,

  uit klauw en tand en tegenstand.

6

  Ik zal in tegenwoordigheid

  van al het volk uw majesteit

  mijn grote dankbaarheid bewijzen

  en U voor aller ogen prijzen.

  Laat over mij niet vrolijk zijn,

  wier hart gevoed is met venijn,

  wier oog in redeloze haat

  mij uit de hoogte gadeslaat.

7

  Zij spreken toch van vrede niet,

  maar zij beogen ons verdriet.

  Zij brengen haat en nijd en schande

  over de stillen in den lande.

  Zij lachen met wijdopen mond.

  O Heer, die aller hart doorgrondt,

  zie hoe zij spotten over mij:

  luister, o God, ga niet voorbij.

8

  O Heer, Gij ziet het, zwijg niet stil.

  Uw recht beslisse mijn geschil.

  Ontwaak, treed toe tot mijn bescherming.

  Mijn God, betoon mij uw ontferming.

  Doe mij, o hoogste majesteit,

  nu recht naar uw gerechtigheid,

  laat over mij niet vrolijk zijn

  wier hart gevuld is met venijn.

9

  Laat hen niet triomfantelijk

  zwelgen in al mijn ongeluk.

  Maak hen beschaamd, ja laat hen samen

  over hun leedvermaak zich schamen.

  Die zich verhieven in mijn leed,

  doe hen, met scha en schand bekleed,-

  doe hen ervaren hoe Gij mij

  verlost uit al hun razernij.

10

  Laat vrolijk zingen, maak verblijd

  wie lust heeft in gerechtigheid.

  Zij overal de Heer aanbeden,

  want Hij geeft zijn dienaren vrede!

  Dan zal ik tot uw lof en prijs

  bezingen op een nieuwe wijs

  uw recht dat ik op aarde zag,

  uw heil, de ganse lieve dag!

---

*36

#3

1

  De zonde die de zondaars vleit

  doet zacht en vol arglistigheid

  diep in hun hart zich horen.

  Zij vrezen niet voor God den Heer,

  en hun geweten spreekt niet meer,

  zij zijn aan 't kwaad verloren.

  Vol list en leugen is hun woord,

  zij laten door de schijn bekoord

  wat goed is achterwege.

  Bij nacht nog zinnen zij op kwaad,

  zij hebben hun verdorven staat,

  de boosheid lief gekregen.

2

  Uw heil is als de hemel hoog,

  uw trouw verheft zich voor ons oog

  tot in de hoogste wolken.

  Uw recht is als de bergen vast,

  uw oordeel als de vloed die wast,

  tot schrik voor alle volken.

  Uw gunst alleen maakt waarlijk vrij,

  ja, over mens en dier wilt Gij

  alom uw vleug'len spreiden.

  Bij U te wonen, Heer, is goed,

  met spijs en drank in overvloed

  wilt Gij ons hart verblijden.

3

  Bij U, Heer, is de levensbron,

  Gij doet ons klaarder dan de zon

  het licht der wereld schouwen.

  Schenk toch uw heil dat leven doet

  en wees voor wie U kennen goed,

  bevestig ons vertrouwen.

  geef dat ik niet door 't ruw geweld

  der goddelozen word geveld,

  beschaam hun trotse zielen.

  Maar zie, daar storten zij al neer,

  men stoot ze om, zij zijn niet meer:

  zij liggen, waar zij vielen.

---

*37

#12

1

  Wees niet afgunstig op de goddeloze,

  benijd hem niet die u met onrecht kwelt.

  Al bloeit hij nu, al groeit hij in het boze,

  straks is hij gras dat wegdort op het veld.

  Woon in het land met die het goede kozen

  en die de Heer tot zijn getrouwen telt.

2

  Verlustig u, mijn ziel, in God den Here.

  Hij maakt het wel voor wie op Hem vertrouwt.

  De Heer vervult uw diepste zielsbegeren.

  Wentel op Hem al wat uw weg benauwt.

  Uw recht zal eenmaal helder triomferen,

  zoals het middaglicht zijn intocht houdt.

3

  Wees niet afgunstig op de welgeachte

  die zich verheft op 't kwaad door hem gedaan.

  Verteer u niet in toornige gedachten,

  maar beid Gods tijd, wees stil, leer het verstaan

  dat Hij het land geeft aan wie op Hem wachten

  en dat wie kwaad doet kwalijk zal vergaan.

4

  Verlustig u, mijn ziel, in grote vrede.

  Uw ootmoed erft het land door Gods gezag.

  Nog maar een wijl' en wie u onrecht deden

  zijn nergens meer, geen maakt van hen gewag.

  Wie tegen u tandknarsend plannen smeden,

  de Heer zal om hen lachen op zijn dag.

5

  Zij hebben hoog de wapens opgestoken,

  spannen de boog, die geen oprechte spaart.

  Zij denken trots: "Hij wordt toch niet gewroken,

  wij slaan hem neer, hij is zijn plaats niet waard".

  Maar straks worden de bogen stukgebroken

  en 't god'loos hart valt in zijn eigen zwaard.

6

  Is niet het schamel deel van de oprechten

  meer dan het goud, door bozen opgetast?

  God breekt en maakt. Hij ondersteunt zijn knechten.

  Hij kent hun tijd, hun heil staat bij Hem vast.

  Als zorg hen kwelt, Hij zal hun zaak beslechten.

  Als honger dreigt, zij gaan bij Hem te gast.

7

  Zij gaan te gronde die den Heer bekrijgen.

  Groen is hun gras, maar 't wordt met vuur verbrand.

  Zij houden wat zij lenen als hun eigen,

  maar wie God kent geeft mild als uit zijn hand.

  Wien God vervloekt, vervluchtigt voor zien dreigen.

  Wien God bewaart, zal wonen in het land.

8

  Wie Hem behaagt, behoedt Hij op zijn wegen.

  Hij houdt hem vast, dat hij zijn voet niet stoot.

  Zo oud ik werd, kwam ik geen vrome tegen

  dien God verliet, geen kind dat zocht naar brood.

  Wie mild leent is nooddruftigen ten zegen,

  zijn nageslacht is God een gunstgenoot.

9

  Houd van het kwaad u ver en doe het goede,

  dat gij een woonstee hebt in eeuwigheid.

  God die het recht mint, zal de rechten hoeden.

  maar Hij verdelgt het ras dat Hem bestrijdt.

  Hij zal zijn volk als kind'ren van den bloede

  het land tot woonplaats geven voor altijd.

10

  Wijs spreekt de man die leeft naar Gods geboden,

  wiens mond Gods wetten handhaaft, onverkort.

  God richt zijn hart, meer heeft hij niet van node.

  God steunt zijn voet, dat hij niet nederstort.

  Al zoekt de goddeloze hem te doden,

  God laat niet toe dat Hij geoordeeld wordt.

11

  God schenkt het land aan wie zijn weg bewaren.

  Zie en verblijd u om der bozen val.

  Ik zag een grootvorst der geweldenaren,

  hoe hij zich breed maakte met voos gebral.

  Maar toen ik opkeek was hij heengevaren.

  Ik zocht hem nog, maar ik vond niemendal.

12

  Sla de oprechte ga, zie hoe de vrome

  die vrede wil ook in zijn kind'ren bloeit,

  maar wie de strijd met God heeft opgenomen

  zal met zijn nakroost worden uitgeroeid.

  God doet zijn volk de vijandschap ontkomen.

  Het schuilt bij Hem, veilig en ongemoeid.

---

*38

#12

1

  Laat toch niet uw toorn, o Here,

  mij verteren,

  straf mij niet, o straf mij niet.

  Want uw hand ligt op mijn leven.

  Zie mij beven

  voor de pijlen die Gij schiet.

2

  Heer, ik kan geen rust meer krijgen

  door uw dreigen,

  enkel onvree is mijn deel.

  Mijn bestaan werd mij een wonde

  door mijn zonde,

  niets bleef aan mijn lichaam heel.

3

  Boven 't hoofd groeit mij het kwade

  van mijn daden,

  al te zwaar werd hun gewicht.

  Met terneergeslagen ogen,

  diep gebogen,

  kom ik voor uw aangezicht.

4

  Heel mijn dwaasheid voel ik schrijnen

  in mijn pijnen,

  in een rouwkleed ga ik rond.

  Mijn ontstoken ingewanden

  voel ik branden,

  niets bleef aan mijn lijf gezond.

5

  Zie, mijn leven is bezweken

  en zal breken

  onder 't leed, Heer, dat het torst.

  In benauwdheid moet ik kreunen,

  ik moet steunen

  van het bonzen in mijn borst.

6

  Al mijn zuchten, al mijn bange

  zielsverlangen

  breng ik voor uw aangezicht.

  't Hart krimpt, zie mijn krachten tanen,

  zie mijn tranen,

  uit mijn ogen wijkt het licht.

7

  Verre van mij zijn mijn vrinden,

  mijn beminden

  mijden mij, zien mij niet aan.

  Steeds op onheil zinnend zetten

  strik en netten

  zij die mij naar 't leven staan.

8

  Maar ik wil hun hoon niet horen,

  'k sluit mijn oren

  en ik houd mij doof voor hen

  en ik laat geen weerwoord glippen

  van mijn lippen,

  of ik stom geboren ben.

9

  Heer, op U wil ik vertrouwen,

  op U bouwen.

  Geef Gij antwoord, o mijn God.

  Wil niet mijn bedreigde leven

  overgeven

  aan hun snoeven en hun spot.

10

  Want waar zouden nog mijn voeten

  steunen moeten

  nu mij d' afgrond opengaat.

  Heer mijn God, ik heb misdreven,

  red mijn leven,

  want ik ben ten einde raad.

11

  Wie mij haten zijn voorspoedig,

  overmoedig

  dringt hun vloedgolf op mij aan.

  En die kwaad voor goed vergelden

  hoor ik schelden,

  omdat ik uw weg wil gaan.

12

  Haast U mij te hulp en red mij,

  Heer, ontzet mij,

  o mijn heil, wees mij nabij.

  Laat uw trouw mij niet begeven,

  stel mijn leven

  bij U veilig, handhaaf mij!

---

*39

#6

1

  Ik zeide wel; Nu let ik op mijn weg

  en zet een wacht bij ieder woord,

  ik zorg, dat ik mijn mond een breidel leg,

  zolang wie God niet kent mij hoort.

  Ik heb bedwongen wat ik heb gevoeld,

  maar 't is weer in mij opgewoeld.

2

  Mijn bonzend hart werd binnenin mij heet

  en smeuld' als een verborgen vuur.

  Toen brak zich baan mijn lang verdrongen leed:

  Heer, zeg mij maar mijn dag en uur,

  hoe snel ik aan de dood vervallen ben,

  opdat ik mijn ellende ken.

3

  Mijn levensloop is maar een schrede lang,

  een ademtocht mijn levenstijd.

  Een schimmenspel, zo is des mensen gang,

  zijn eer en staat slechts ijdelheid.

  Men slooft en schraapt, maar waarvoor dient het al?

  Men weet niet wie het nemen zal.

4

  En nu, mijn Heer, wat rest mij nog voor hoop?

  Gij blijft alleen mijn toeverlaat.

  Verlos mij, schoon ik telkens U ontloop,

  stel voor de dwaas mij niet tot smaad.

  Ik sluit mijn mond voor U, ik ben verstomd,

  want Gij zijt God van wien het komt.

5

  Neem toch uw plagen haastig van mij af,

  want aan uw tucht bezwijk ik, God.

  Slaat Gij een man met uw gerechte straf,

  zijn pracht verteert door roest en mot.

  Wat is de mens, wat is zijn levenstijd?

  een ademtocht, een nietigheid!

6

  Hoor mijn gebed, Heer, neem mijn smeking aan

  en laat mij tot U naderen.

  Gelijk een vreemd'ling klop ik bij U aan,

  een gast, als al mijn vaderen.

  Laat van mij af, opdat ik vreugd verwerf,

  voordat ik henenga en sterf.

---

*40

#7

1

  Met heel mijn hart heb ik de Heer verwacht,

  Hij heeft gehoord naar mijn gebed,

  mij uit de modderpoel gered,

  mijn voet weer op een vaste grond gebracht.

  Hij heeft mij doen herleven,

  mij in de mond gegeven

  een nieuw lied tot zijn eer.

  Laat ieder die het zag

  stil zijn van diep ontzag

  en hopen op de Heer.

2

  Zalig de man die op den Heer vertrouwt,

  geen acht slaat op de eigenwaan

  van die hun eigen wegen gaan,

  maar die de leugen uit zijn leven houdt.

  Mijn God, ik wil U roemen

  en al uw daden noemen,

  niets is aan U gelijk.

  Wil ik ze tellen, Heer,

  ik zie er telkens meer,

  't gaat boven mijn bereik.

3

  Het is geen offervuur wat U behaagt,

  Gij wilt, Heer, dat ik naar U hoor

  en zelf ontsluit Gij mij het oor:

  Gij hebt alleen gehoorzaamheid gevraagd.

  Mijn God, ik draag uw wetten,

  om op uw wil te letten,

  gedurig bij mij om.

  Het boek schrijft over mij.

  Gij hoordet hoe ik zei;

  "O Here, zie, ik kom!"

4

  Ik breng de blijde boodschap van uw recht

  aan al wie U zijn toegedaan,

  dat zij uw wonderen verstaan

  in 't woord dat Gij mij op de lippen legt.

  Ik spreek, dat woord met klaarheid,

  opdat uw trouw en waarheid

  door elk begrepen wordt.

  Heer, ik weerhoud mij niet,

  maar loof U in mijn lied

  met een blijmoedig hart.

5

  O Heer, onthoud mij uw ontferming niet

  en laat uw goedertierenheid

  mij toch bewaren in de tijd

  dat ik word overstelpt door mijn verdriet.

  Mijn ongerechtigheden

  laten mij niet met vrede,

  mijn moed wordt mij ontroofd.

  Mijn zonden slaan mij neer.

  Mijn God, ik tel er meer

  dan haren op mijn hoofd.

6

  O Heer, 't behage U mij bij te staan.

  Gij die altijd mijn helper waart,

  drijf mijn belagers achterwaarts

  en doe hen met beschaamde kaken staan.

  Laat nu die mij belachten,

  bedreigden en verachtten,

  en loerden op mijn eind,

  voor U verschrikken, God,

  bespott'lijk in hun spot

  en stom van schaamte zijn.

7

  Laat wie uw heil beminnen hier en nu

  in U verheugd zijn, U ter eer

  uitroepen: groot is onze Heer!

  laat wie U zoeken jubelen in U!

  Al leef ik in ellende,

  de Here zal het wenden,

  de Heer ziet naar mij om.

  Gij die mijn helper zijt,

  mijn God die mij bevrijdt,

  o toef niet langer, kom!

---

*41

#5

1

  Heil hem die den geringe helpt in nood,

  hem helpt in nood de Heer.

  De Heer bewaart zijn leven voor de dood,

  herstelt hem in zijn eer.

  Wat deert hem of zijn vijand hem bespot,

  als Gij de redder zijt?

  De Heer is hem een groot en helpend God

  op 't bed der bitterheid.

2

  Ik zei: Genees mij, Heer, door uw gena.

  Ik zondigde voor U.

  Maar maak dat deze valsaard van mij ga,

  van wiens bezoek ik gruw.

  "Sterft hij niet haast, en gaat zijn naam voorbij?"

  Zo denkt hij in zijn hart,

  en veinst wel aan mijn sponde medelij,

  maar hoont mij op de markt.

3

  Zij fluist'ren saam, de horde die mij haat:

  "Hij ligt, hij ligt voorgoed!

  Op hem is uitgestort onzalig kwaad,

  hij heeft de dood in 't bloed!"

  De vriend zelfs, die ik spijsde met mijn brood,

  de gunst'ling van mijn ziel,

  heult reeds met hen die loeren op mijn dood,

  hief tegen mij de hiel.

4

  Maar Gij, Heer, richt mij op, dat ik het weet

  hoe Gij mij gunstig zijt,

  dat het vergolden wordt als om mijn leed

  mijn vijand zich verblijdt.

  Hebt Gij mij ook niet voortijds opgericht

  om mijn eenvoudigheid?

  O Heer, Gij stelt mij voor uw aangezicht

  tot in all' eeuwigheid.

5

  Looft nu den Heer, zingt Isrels God verblijd,

  prijs Hem voor zijn gena

  van eeuwigheid tot in all' eeuwigheid!

  Ja, waarlijk, amen, ja!

---

*42

#7

1

  Evenals een moede hinde

  naar het klare water smacht,

  schreeuwt mijn ziel om God te vinden,

  die ik ademloos verwacht.

  Ja, ik zoek zijn aangezicht,

  God van leven, God van licht.

  Wanneer zal ik Hem weer loven,

  juichend staan in zijn voorhoven?

2

  Tranen heb ik onder 't klagen

  tot mijn spijze dag en nacht

  als mijn haters honend vragen;

  "Waar is God dien gij verwacht?"

  Ik gedenk hoe ik vooraan

  in de reien op mocht gaan,

  om mijn dank Hem op te dragen

  in zijn Huis op hoogtijdagen.

3

  Hart onrustig, vol van zorgen,

  vleugellam geslagen ziel,

  hoop op God en wees geborgen.

  Hij verheft wie nederviel.

  Eens verschijn ik voor den Heer,

  vindt mijn ziel het danklied weer.

  Hij mijn God, Hij heeft mijn leven

  dikwijls aan de dood ontheven.

4

  Zie, gekerkerd in verlangen,

  balling ver van waar Gij woont,

  houden bergen mij gevangen,

  waar uw heerlijkheid niet troont.

  Watervloed roept watervloed.

  Aller diepten euvelmoed

  heeft mij met geweld bedolven;

  al uw baren, al uw golven!

5

  Laat zijn trouw de dag verblijden

  en zijn lied de duisternis.

  Tot Hem roep ik in mijn lijden,

  die de God mijns levens is;

  Vaste grond van mijn bestaan,

  waarom ziet Gij mij niet aan?

  Moet ik onder 's vijands slagen

  thans dit somber rouwkleed dragen?

6

  God, dit zal mijn hart doorboren,

  dit gaat mij door merg en been-

  van mijn vijand moet ik horen;

  "God is ver, gij staat alleen!"

  Honend vraagt men dag en nacht"

  "Waar is God, dien gij verwacht?"

  In verdrukking moet ik leven,

  door mijn vijanden omgeven.

7

  Hart, onrustig, vol van zorgen,

  vleugellam geslagen ziel,

  hoop op God en wees geborgen.

  Hij verheft wie nederviel.

  Eens verschijn ik voor den Heer,

  vindt mijn ziel het danklied weer:

  Hij, mijn God, Hij heeft mijn leven

  altijd aan de dood ontheven.

---

*43

#5

1

  O God, kom mijn geding beslechten,

  verlos mij van wie U versmaadt,

  Boosdoeners willen met mij rechten,

  die niet aan trouw en waarheid hechten.

  Doe mij ontkomen aan hun haat,

  o Heer, mijn toeverlaat.

2

  Zijt Gij dan niet mijn burcht gebleven,

  de sterke vesting van mijn hart?

  Waarom hebt Gij dan nu mijn leven

  aan mijn belagers prijsgegeven?

  Waarom ga ik gebukt van smart,

  gekleed in somber zwart?

3

  O Here God, kom mij bevrijden,

  zend mij uw waarheid en uw licht

  die naar uw heil'ge berg mij leiden,

  waar Gij mij woning wilt bereiden.

  Geef dat ik door U opgericht

  kom voor uw aangezicht.

4

  Dan ga ik op tot uw altaren,

  tot U, o bron van zaligheid.

  Dan mag mijn ziel uw heil ervaren

  en dankbaar ruisen alle snaren

  voor U die al mijn vreugde zijt

  en eindloos mij verblijdt.

5

  Mijn ziel, hoe zijt gij zo verslagen,

  mijn hart, wat kwelt gij u zozeer?

  Vertrouw op 's Heren welbehagen.

  Hij doet weldra de morgen dagen.

  ja, ik zal zingen tot zijn eer:

  mijn redder is de Heer.

---

*44

#11

1

  Heer, wat de vaderen vertelden

  -nooit moe uw wond'ren te vermelden-

  't verhaal van wat Gij hebt gedaan,

  wij hebben het zeer goed verstaan:

  hoe Gij weleer met eigen hand

  rondom de volken hebt verdreven

  en Isra‰l, in hun grond geplant,

  onder de zon een plaats gegeven.

2

  Gij hebt ze zelf uiteengeslagen,

  die onze vaad'ren rond zich zagen

  en heel hun wijde grondgebied

  gaaft Gij aan Isra‰l om niet.

  Nee, niet de zwaarden in hun hand,

  uw arm heeft hun ruim baan gegeven,

  uw gunst schonk hun 't beloofde land,

  uw lichtend aanschijn deed hen leven.

3

  Ja, Heer, Gij zult mijn Koning wezen.

  Bij U hoeft Jakob niet te vrezen.

  Spreek slechts uw woord, en Isra‰l gaat

  vrijuit te midden van het kwaad.

  In uw kracht stoten wij hem neer

  die ons belaagt van alle kanten,

  gereed om in uw naam, o Heer,

  de voet hem op de nek te planten.

4

  Geen boog kan mij ter redding baten,

  ik wil mij op geen zwaard verlaten.

  God, Gij hebt zelf uw volk geleid,

  van onze vijand ons bevrijd.

  Wij loven en wij prijzen U,

  wij roemen in uw groot vermogen.

  Gij zijt ons heil, wij willen nu

  en voor altijd uw naam verhogen.

5

  Waarom hebt Gij ons dan verstoten,

  tot onze ondergang besloten,

  waarom ons naakt te kijk gesteld?

  Gij toogt niet met ons in het veld,

  maar hebt, o Heer, in 't aangezicht

  van onze vijand ons verlaten.

  Ons hebt Gij onheil aangericht

  en heil gegund aan wie ons haten.

6

  Zij zijn tot wolven ons geworden,

  een wilde, felbeluste horde;

  als schapen gaaft G' ons aan hen prijs,

  hun vraatzucht dienden wij tot spijs.

  Gij hebt ons over 't grondgebied

  der volkeren uiteengedreven;

  verkocht hebt Gij ons haast om niet,

  Gij hadt ons lang reeds afgeschreven.

7

  Aan allen die rondom ons wonen

  gaaft Gij slechts reden ons te honen,

  ja, onze schande werd in 't rond

  zelfs tot een spreekwoord in hun mond.

  Zij schudden over ons het hoofd,

  met leedvermaak slaan zij ons gade,

  wij zijn van alle steun beroofd,

  een teken van uw ongenade.

8

  De ganse dag staan mij voor ogen

  mijn schande en mijn onvermogen,

  het schaamrood stijgt mij naar 't gelaat;

  o God, ik ben ten einde raad.

  naar hartelust beschimpt men mij,

  wordt met mijn naam de spot gedreven.

  Hun blikken doden. - Waar zijt Gij?

  Hun wraakzucht staat mij naar het leven

9

  Heer, zie toch, onder zoveel slagen

  bleven wij altijd naar U vragen,

  trouw aan 't verbond dat Gij ons gaf.

  Wij weken van uw weg niet af,

  zelfs niet toen in de duisternis

  uw slaande hand ons achterhaalde

  en waar de jakhals meester is

  de nacht des doods over ons daalde.

10

  Want onze God zou immers weten,

  wanneer zijn volk Hem had vergeten,

  zich tot de goden had gewend?

  Hij die de hartsgeheimen kent?

  Gij ziet toch, Heer, om U alleen

  sterven wij daag'lijks duizend doden,

  de vijand drijft ons voor zich heen

  als weerloos slachtvee voor zijn goden.

11

  Waarom houdt Gij U slapend, Here

  en blijft Gij uw gelaat afkeren?

  Erken uw volk, -het is uw zaak!

  Vergeet ons niet voorgoed, ontwaak!

  Wij liggen in het stof terneer,

  van d' aarde niet te onderscheiden.

  Sta op, breng in ons lot een keer!

  God, om uw trouw, kom ons bevrijden!

---

*45

#6

1

  Met luider stem breng ik de koning hulde

  omdat zijn beeld mijn hart en ziel vervulde,

  mijn tong rept als een snel bestuurde pen

  van hem wiens gratie ik niet waardig ben!

  Als gij, o koning, spreekt, is dat verhoring,

  de woorden van uw mond zijn vol bekoring,

  voor eeuwig en altoos door God bemind,

  zijt gij veel schoner dan een mensenkind.

2

  Gord aan, o held, het zwaard van uw regering

  en hoed uw volk voor knechtschap en ontbering;

  rijd luisterrijk in heil en voorspoed voort

  en houd de teugels van het rechte woord;

  waarheid en majesteit zijn in uw handen

  en triomferend gaat gij door de landen

  om alle volken in uw ban te slaan;

  recht in het hart doet gij uw pijlen gaan.

3

  Uw troon, o Heer, staat bij uw rechtsgedingen

  onwankelbaar in alle wisselingen.

  Gij voert de scepter van uw majesteit

  als koningsstaf en staaft gerechtigheid.

  Uw liefde geldt het recht, uw haat het boze,

  Gij zijt de gesel van de goddeloze,

  dus heeft u boven allen God gewijd,

  o vorst, met olie die het hart verblijdt.

4

  Gij gaat gehuld in geur van specerijen,

  waar gij verschijnt ontwaken speelse reien.

  Uw lof weerkaatst in zalen van ivoor,

  hoogwelgeboren vrouwen gaan u voor-

  en zie de koningin staat aan uw zijde,

  stralend als goud, verliefd op uw geleide....

  Luister, o dochter, luister en vergeet

  hoe gij van oorsprong en geboorte heet.

5

  Zo heeft uw prins aan u zijn welgevallen;

  hij is uw heer, die gij te voet zult vallen.

  Om zijnentwil voert men u schatting aan

  en ziet gij smekelingen voor u staan.

  Stralend van goud, stralend van licht en vreugde

  gaat gij als bruid tot wie uw hart verheugde.

  Men leidt u binnen waar hij resideert,

  die eenmaal koos en u voorgoed begeert.

6

  Zie niet meer om, de bedding der geslachten

  heeft zich verlegd, volg nu met uw gedachten

  de toekomst in de stroom van 's konings bloed

  tot waar uw geest uw kinderen ontmoet;

  uw zonen zult gij op de aarde stellen

  tot vorsten, die rechtvaardig oordeel vellen;

  daarom draagt u mijn lied de tijden door

  en daarom looft u volk bij volk in koor.

---

*46

#3

1

  God is een toevlucht t' allen tijde,

  die ons uit nacht en dood bevrijdde.

  Al zou de aarde ondergaan,

  wij zien het zonder vrezen aan.

  Al staat geen berg meer vast, al dreigen

  de zee‰n overhand te krijgen,

  laat schuimend al hun golven slaan,

  wij zien het zonder vrezen aan.

2

  De Godsstad ligt aan blanke stromen.

  God staat haar bij, de dag zal komen.

  Hij woont in haar, zij wankelt niet,

  zij kroont zijn heilig rijksgebied.

  Al hebben volken zich verheven,

  Hij roept en doet de aarde beven.

  Hij is met ons, Hij wendt ons lot.

  Een vaste burcht is onze God.

3

  Komt en aanschouwt des Heren daden,

  aanbidt zijn toorn en zijn genade;

  zijn toorn die 't oorlogstuig verslindt,

  zijn gunst waarin gij vrede vindt.

  Hij spreekt: "Laat af, Ik ben de Here,

  de Heilige die elk moet eren".

  Hij is met ons, Hij wendt ons lot.

  Een vaste burcht is onze God.

---

*47

#3

1

  Volken weest verheugd,

  jubelt, toont uw vreugd,

  prijst met handgeklap

  's Heren koningschap.

  Ja, Hij is de Heer,

  volken slaat Hij neer,

  zijn geduchte kracht

  geeft z' in onze macht.

  Met zijn eigen hand

  meet Hij Jakob 't land,

  die daar woont met trots,

  als beminde Gods.

2

  God stijgt blinkend schoon

  met gejuich ten troon.

  Luid bazuingeschal

  meldt het overal.

  Zingt Gods eer, heft aan,

  's Konings eer, heft aan.

  Heel de aarde hoort

  naar des Heren woord,

  is zijn rijksgebied.

  Zingt een kroningslied!

  Die de volken leidt

  troont in heiligheid.

3

  Maakt het dan bekend;

  Godes regiment

  houdt de volken saam,

  geeft hun rang en naam.

  Eedlen treden aan

  om op wacht te staan.

  Abrahams geslacht,

  het betrekt de wacht.

  Hem, die 't aards geweld

  paal en perken stelt,

  Hem zij lof en eer,

  den verheven Heer.

---

*48

#4

1

  De Heer is groot, zijn lof weerklinkt

  waar op de berg de Godsstad blinkt.

  Hoe schoon is Sion, hoe verheven,

  een vreugd voor wie op aarde leven,

  Hier wordt paal en perk gesteld

  aan der wereld bruut geweld,

  want hier staat de hoge woning

  waar God zelf regeert als Koning.

  En Hij toont zich t' allen tijde

  de beschermer van wie lijden.

2

  De vorsten sloten zich aaneen

  en drongen op om Sion heen,

  maar bij de aanblik van haar wallen

  heeft 's Heren schrik hen overvallen

  en zij vluchtten in hun nood.

  Oostenwind verdreef hun vloot.

  Ja, ons eigen oog aanschouwde

  waar de vaadren op vertrouwden;

  God heeft voor zijn stad gestreden,

  eeuwig is Hij Sions vrede.

3

  Wij loven, Heer, U in uw huis,

  ons hart is in uw liefde thuis.

  Gij die uw naam ons openbaarde,

  uw lof is tot het eind der aarde.

  Recht is in uw hand, o Heer,

  Sion jubelt U ter eer.

  Hoor hoe Juda 's dochters zingen

  bij de grootse rechtsgedingen,

  waar Gij vonnis hebt gewezen.

  Ja, uw oordeel zij geprezen.

4

  Komt, trekt verheugd om Sion heen,

  en telt haar torens een voor een,

  ziet hoe de bastions daar rijzen,

  gaat door de zalen der paleizen.

  Meldt het aan het nageslacht,

  wat God heerlijk heeft volbracht;

  ja, gij zult uw kind'ren leren;

  deze god is onze Here;

  nimmer zal Hij van ons scheiden,

  tot de dood blijft hij ons leiden.

---

*49

#6

1

  Bewoners van de wijde wereld, hoort.

  Luistert, gij alle volken, naar mijn woord.

  Kind'ren der mensen, edel of gering,

  rijken en armen, hoort naar wat ik zing.

  Wijs is het woord, dat u mijn mond onthult,

  helder het inzicht dat mijn hart vervult.

  Een spreuk verneemt mijn oor, ik grijp de snaren.

  Mijn lier zal u een raadsel openbaren.

2

  Wat zou mij vrees te kwader ure slaan,

  als mijn belagers mij naar 't leven staan,

  het onrecht wast van wie op rijkdom roemt

  en dank zij have en goed zich veilig noemt.

  Eens komt de dood en alle rijkdom faalt.

  Er is geen mens die ooit aan God betaalt

  de losprijs die zijn broeder zou behoeven

  om voor altijd 't ontkomen aan de groeve.

3

  Bij 't sterven baat geen geld of overleg;

  wijzen en dwazen gaan dezelfde weg.

  Elk raakt aan and'ren eens zijn schatten kwijt,

  al droomt hij zich een aardse eeuwigheid.

  Al denkt hij ook: mijn huis houdt altijd stand,

  voorgoed verbond mijn naam zich met dit land,

  de mens, wat hij aan pronk zich mag verwerven,

  zal eenmaal als de stomme beesten sterven.

4

  Dit is de weg der zelfgenoegzaamheid.

  En wie de dwazen om hun woorden vleit,

  daalt met hen in een grote kudde af,

  de dood leidt hen als schapen naar het graf.

  Dan triumferen in de dageraad

  oprechten over wie ten grave gaat

  en ver van huis en haard in eeuwig duister

  zijn laatste vorm verliest, zijn laatste luister.

5

  Maar God geeft voor mijn leven 't onderpand,

  Hij redt mij uit het graf met eigen hand.

  Vrees niet, wanneer een rijke zich verrijkt

  en in zijn huis met al zijn schatten prijkt.

  Eens daalt berooid hij in het donker af,

  geen penning neemt hij met zich mee in 't graf.

  Hij moet het al op aarde achterlaten.

  Zijn heerlijkheid zal in de dood niet baten.

6

  Al gaat een mens brooddronken 't leven door,

  al prijzen al zijn vrienden hem in koor

  omdat hij zich geen aards genot ontzegt,

  toch wordt hij eenmaal in het graf gelegd;

  daar wordt hij met zijn vaad'ren saamgebracht,

  die 't licht niet zien en liggen in de nacht.

  De dwaas, wat hij aan pronk zich mag verwerven,

  zal eenmaal als de stomme beesten sterven.

---

*50

#11

1

  De Heer die leeft, de God der goden spreekt,

  van waar de zon rijst als de dag aanbreekt,

  tot waar zij, als de nacht komt, ondergaat,

  roept Hij de aarde op, want Hij houdt raad.

  Uit Sion, hoog in heerlijkheid verheven,

  verschijnt de Heer, door blinkend licht omgeven.

2

  Door een verterend vuur voorafgegaan,

  omgeven door een werv'lende orkaan,

  komt onze God, geweldig schrijdt Hij voort.

  En Hij verheft zijn stem om 't verste oord

  in hemel en op aarde te doen horen

  dat Hij zal richten wie Hij heeft verkoren.

3

  Verzamelt hen tot wie mijn gunst zich neigt,

  wier offer als een heilig teken stijgt,

  als zij 't verbond bezeeg'len met hun Heer.

  De hemel roemt Gods recht en geeft Hem eer

  nu Hij als rechter zetelt en de zijnen

  dagvaardt om voor zijn vierschaar te verschijnen.

4

  Zo spreekt de Heer en opent zijn geding:

  Hoor nu, mijn volk, naar mijn beschuldiging,

  Isra‰l, luister wat mijn aanklacht zegt,

  Ik ben uw God, voor Mij staat gij terecht.

  Ik vel geen oordeel om uw offeranden,

  daar steeds uw altaarvuren voor Mij branden.

5

  Meent Gij dat Ik de stieren uit uw stal,

  de bokken uit uw kooien nemen zal?

  Het wild dat in het woud zijn schuilplaats heeft,

  dat zwerft en vrij op duizend bergen leeft,

  de vogels in de lucht, Ik ken ze alle,

  Ik kan ze nemen naar mijn welgevallen.

6

  Ik die als herder 't wild gedierte weid,

  behoef de spijzen niet die gij bereidt.

  Indien Ik honger had, Ik zei 't u niet,

  de hele wereld is mijn grondgebied.

  Meent gij dat stier en bok als offergaven,

  dat vlees en bloed Mij voeden en Mij laven?

7

  Offer God lof, bied Hem uw dankbaarheid,

  voldoe aan uw geloften, Hem gewijd.

  Dan zult gij, als het onheil u omringt,

  wanneer de angst u in de engte dringt,

  Mij roepen en Ik zal het al doen keren.

  Ik geef u ruimte en gij zult Mij eren.

8

  Maar tot de goddeloze mens spreekt God;

  Mijn rechten klinken in uw mond als spot.

  Gij spreekt van mijn verbond, maar haat de wet,

  verwerpt mijn woord, als het u grenzen zet.

  Gij houdt het met ontuchtigen en dieven

  en leeft naar eigen lusten en believen.

9

  Al wat uw lippen spreken is onwaar,

  uw tong rijgt enkel leugens aan elkaar.

  Gij zit met and'ren nauwelijks tezaam,

  of gij werpt smetten op uw broeders naam.

  Wanneer Ik zweeg, dan zoudt gij, goddelozen,

  nog denken: God heeft mijn partij gekozen.

10

  't Is daarom dat Ik u de waarheid zeg,

  de vinger bij uw boze daden leg.

  Ik breng ze een voor een u onder 't oog.

  Bedenk dat Ik de zonde niet gedoog.

  Gij die uw God vergeet, geen hulp kan baten,

  als Ik mijn toorn de vrije loop zal laten.

11

  Zo spreekt de Heer; al wie in dankbaarheid

  aan Mij het offer van zijn leven wijdt,

  houdt Mij in eer en heeft mijn wil verstaan.

  Hij baant de weg, waarlangs mijn heil kan gaan.

  Hij zal het zien, hij zal het zelf ervaren;

  Ik zal mijn vrede aan hem openbaren.

---

*51

#7

1

  Ontferm U God, ontferm U, hoor mijn klacht,

  ik roep tot U, vergeef, vergeef mijn zonden.

  Herstel mijn hart, zie, hoe het is geschonden.

  Door eigen schuld verzink ik in de nacht.

  Wees mij nabij naar uw barmhartigheid,

  reinig mij door uw diepe mededogen.

  Om al mijn kwaad kwelt zich mijn hart en schreit,

  mijn zonden staan mij dagelijks voor ogen.

2

  Want tegen U, want tegen U alleen

  heb ik gezondigd. Red mij van het kwade.

  In diep berouw belijd ik U mijn daden,

  hoor naar de donk're stem van mijn geween.

  Ik heb gedaan wat kwaad was in uw oog,

  ja, ik erken, ik ben uw gunst niet waardig.

  Gij zetelt in gerechtigheid omhoog,

  uw woord is waar, uw vonnis is rechtvaardig.

3

  Ik ben, o Heer, in ongerechtigheid

  geboren en in zware schuld gebonden.

  Ontvangen heeft mijn moeder mij in zonde,

  zie op mij neer in uw barmhartigheid.

  Gij wilt toch dat ik rein ben binnenin,

  dat ik in trouw en recht voor U zal leven.

  Opdat ik waarlijk zuiver ben van zin,

  hebt Gij uw wijsheid in mijn hart gegeven.

4

  Voltrek de reiniging en raak mij aan

  met bloed en hysop, dan ben ik genezen.

  Was mij geheel, en uit de nacht herrezen

  zal ik dan sneeuwwit voor uw ogen staan.

  Gun aan mijn oog een lichte ochtendstond,

  doe aan mijn oor uw blijde boodschap horen,

  dan juicht mijn hart, hoezeer door U gewond.

  Doe weg mijn kwaad, wis uit de laatste sporen.

5

  Schep in mij, God, een hart dat leeft in 't licht,

  geef mij een vaste geest, die diep van binnen

  zonder onzekerheid U blijft beminnen,

  verwerp mij niet van voor uw aangezicht.

  Ontneem mij niet uw heil'ge Geest, o God,

  laat in uw heil mijn hart zich nu verblijden,

  en richt geheel mijn wil op uw gebod,

  dan zal ik zondaars op uw wegen leiden.

6

  Red mij van bloedschuld, God die mij bevrijdt,

  leg op mijn tong de lof van uw genade.

  Open mijn lippen, Heer, ik prijs uw daden

  voor heel uw volk met lied'ren wijd en zijd.

  Niet aan het altaar wordt mijn schuld geboet,

  geen offerdier, hoe gaaf ook, kan die dragen,

  het offer van een diep gewond gemoed

  en een gebroken hart zal U behagen.

7

  Doe Sion wel naar uw barmhartigheid

  en laat haar tinnen in het zonlicht blinken,

  doe op haar pleinen weer de lied'ren klinken

  als eens in de welaangename tijd.

  Dan hebt Gij lust aan offers, recht gebracht,

  met kleinvee stroomt men toe en jonge stieren.

  Jeruzalem, ik zie een nieuw geslacht

  opnieuw het feest van uw bevrijding vieren.

---

*52

#5

1

  Waarom toch het kwaad zo te prijzen,

  ontzaggelijke held?

  God immers heeft zijn gunstbewijzen

  vast over ons gesteld.

  Uw tong die als een scheermes snijdt

  werkt enkel bitterheid.

2

  Uw voorkeur gaat uit naar het kwade,

  de leugen lacht u aan.

  Uw woorden brengen schand' en schade.

  Gij laat de laster gaan.

  Maar God, die elke waan doorbreekt,

  breekt u wanneer Hij spreekt.

3

  Hij zal voor zijn macht u doen bukken,

  teniet doen in het stof.

  Hij zal u uit het leven rukken,

  ontwort'len uit uw hof.

  En 't volk dat veilig is bij God,

  zal lachen om uw lot.

4

  "Daar ligt hij die God zo verachtte,

  die snoever van geweld,

  die alles van zichzelf verwachtte.

  Daar ligt hij neergeveld.

  Daar ligt hij die zijn buidel had

  tot schutse en tot schat".

5

  Gods lof draag ik door de seizoenen;

  zijn daden houden stand.

  Ik zal als een olijfboom groenen,

  beschaduwd door zijn hand.

  Wij wachten, aan U toegewijd,

  uw goed' aanwezigheid.

---

*53

#5

1

  De dwaas zegt in zijn hart: "Er is geen God",

  en ieder doet wat goed is in zijn ogen.

  't Gebinte van het leven wordt bewogen,

  de zonde woekert, ieder drijft de spot

  met Gods gebod.

2

  De Heer ziet uit de hemel, of nog een

  de wijsheid heeft om naar zijn woord te horen,

  of een Hem zoekt. Geen wil zich aan Hem storen.

  Geen mens die goed doet in de wereld, neen,

  God vindt er geen.

3

  Is er op aard geen spoor van inzicht meer

  bij hen die in het kwaad behagen vinden,

  hen die mijn volk als was het brood verslinden?

  Zij roepen God niet aan, zij roven d' eer

  van God de Heer.

4

  Maar eensklaps grijpt een wilde schrik hen aan

  terwijl er niets is dat hen aan komt randen,

  want God verstrooit de kracht van zijn vijanden.

  Hij maakt beschaamd, Hij doet verloren gaan

  wie Hem weerstaan.

5

  Breng, Here, breng een keer in 't aards bestel,

  kom toch van Sion uit uw volk bevrijden.

  Wend, Heer, ons lot, stel paal en perk aan 't lijden,

  dan brengt u vrolijk lof met zang en spel

  heel Isra‰l.

---

*54

#2

1

  O God, verlos mij door uw naam!

  O Heer, neem mijn gebed ter ore!

  Verschijn met kracht en wil mij horen!

  Verschaf mij recht! U roep ik aan!

  Want vreemden smeedden een complot

  en hebben hun hand opgeheven.

  Zij staan mij met geweld naar 't leven,

  erkennen God noch zijn gebod.

2

  God is mijn hulp, Hij is getrouw.

  Het is de Heer die mij blijft schragen,

  die ze verdelgt wie mij belagen,

  breekt wie mij brengen in het nauw.

  Ja, Hij zag mijn benauwdheid aan,

  ik vrees niet meer voor mijn vijanden.

  O God, ontvang mijn offeranden!

  O Heer, geprezen zij uw naam!

---

*55

#7

1

  God, laat mij smekend tot U treden,

  verberg U niet voor mijn gebeden,

  maar geef mij antwoord op mijn zuchten!

  Zie mij gebukt door 's vijands druk;

  hij stort mij in het ongeluk

  en ik kan nergens hem ontvluchten.

2

  Ik zit verschrikt ineengedoken,

  de doodsangst heeft mijn hart bekropen,

  de boosheid weet mij wel te vinden.

  O kon ik als de duiven zijn

  en in het diepst van de woestijn

  wegschuilen voor de wilde winden.

3

  Verwar hen, Heer, die met hun woorden

  de vrede van de stad verstoorden.

  Die dag en nacht, te allen ure,

  vol onrecht en verdrukking zijn,

  arglistig fluist'rend op het plein

  en spiedend rondgaan op de muren.

4

  Was het een vijand die mij tergde,

  ik zou mij zwijgende verbergen,

  maar gij, mijn vriend, mijn evennaaste,

  met wie ik opging naar Gods huis

  en vrolijk was bij feestgedruis,

  wat deed g' u tegen mij te plaatsen?

5

  Bozen van hart, u moge allen

  de vloek des hemels overvallen,

  dat leven u tot dood gedije!

  Maar ik, ik roep tot God de Heer.

  Als ik mij kreunend tot Hem keer

  zal Hij mij horen en bevrijden.

6

  O Heer, van al wie mij bestreden

  verlost Gij nu mijn ziel in vrede!

  Gij zijt het die ze neer zult stoten,

  de schenders van het trouwverbond,

  die uit de schede van hun mond

  de dolk van het verraad ontblootten.

7

  O, werp nu op de Heer uw zorgen!

  Wie recht doet blijft in Hem geborgen

  en zal niet dalen ten verderve,

  maar mannen van bedrog en bloed

  die zullen in hun overmoed

  in 't midden van hun dagen sterven.

---

*56

#4

1

  Wees mij genadig, Heer, want een geweld

  van vijanden staat rondom opgesteld

  om, als ik machteloos lig neergeveld,

  over mij heen te lopen.

  Maar altoos als de angst mij heeft bekropen,

  geprezen zij Gods woord dat mij doet hopen!

  Wat zou een mens mij doen als ik kan roepen;

  de Here is mijn held!

2

  Mijn woord verleugenen zij voor en na,

  scheppen hun vreugde in mijn schand' en scha,

  leggen mij hinderlagen waar ik ga

  en loeren op mijn leven.

  Maar treft het kwaad niet, wie het kwaad bedreven?

  Zal niet wie doodt, zichzelf de doodsteek geven?

  Stort, God, de volken die voor U niet beven

  neer in uw ongena!

3

  Gij hebt mijn omzwerving te boek gesteld

  en al de tranen, in mijn oog geweld,

  bijeengegaard en in uw boek geteld:

  alles ligt voor U open.

  Geprezen zij Gods woord dat mij deed hopen!

  Mijn vijanden zijn haastig afgedropen.

  Wat zou een mens mij doen als ik kan roepen;

  De Here is mijn held!

4

  Geloften heb ik toegezegd, mijn God,

  U die van aanstoot hebt verlost mijn voet,

  laat mij nu voor de redding van de dood

  lofoffers U betalen.

  Geprezen zijt Gij, Heer, die telkenmale

  de zon van uw gelaat voor mij deed stralen,

  dat ik mag wandelen en ademhalen

  in 't licht dat leven doet!

---

*57

#6

1

  Wees mij genadig, Heer, wees mij nabij,

  want bij U schuil ik, sta mij toch terzij,

  alleen bij U weet ik mijn ziel geborgen.

  In uwer vleug'len schaduw berg ik mij,

  tot d' onheilsnacht wijkt voor de nieuwe morgen.

2

  Ik roep tot God, de heerser van 't heelal,

  de Here, die 't voor mij voleinden zal;

  Hij zal zijn redding zenden, mij bevrijden

  van allen die bedacht zijn op mijn val.

  Zijn waarheid en zijn trouw staan mij terzijde.

3

  Te midden van de leeuwen lig ik neer.

  Geweldenaars gaan tegen mij tekeer,

  vuurspuwend en met tongen scherp als zwaarden.

  Verhef U boven alle heem'len, Heer,

  uw heerlijkheid zij over heel de aarde.

4

  Zij hebben mij een valstrik uitgezet,

  maar God bevrijdt mijn voeten uit het net.

  Zij hebben mij arglistig met hun allen

  een kuil gegraven, maar ik ben gered

  en zij zijn reddeloos erin gevallen.

5

  In U, Heer, heeft mijn hart zijn zekerheid,

  U wil ik loven, die mij hebt bevrijd.

  Ziel, maak u op, den Here groot te maken,

  gij harp en lier, toon dat gij vrolijk zijt,

  doe met uw lied het morgenlicht ontwaken.

6

  Ik breng, o Heer, voor heel de wereld eer

  aan U, van wien ik zingend profeteer.

  Uw gunst en trouw zijn hemelhoog verheven.

  Verhef U boven alle heem'len, Heer,

  uw heerlijkheid zij over alle leven!

---

*58

#4

1

  Gij hoge raad, bijeengekomen

  om recht te doen, spreekt gij wel recht?

  Wordt zo door u het pleit beslecht?

  Veeleer is 't onrecht toegenomen.

  Uw handen wegen het geweld,

  dat sinds gij spreekt op aarde geldt.

2

  De mensen die zich van God keren,

  dwalen sinds zij geboren zijn.

  Zij zijn als slangen vol venijn,

  door geen belezer te bezweren,

  doof voor de tonen van de fluit.

  Breek Gij, o God, hun tanden uit.

3

  Laat hen als water snel verzinken,

  als stro in wind verloren gaan.

  Heer, wil hun pijlen nederslaan.

  Verdelg hen eer hun stem zal klinken.

  Voordat het zonlicht voor hen daagt

  heeft hen uw toorn al weggevaagd.

4

  Uw knechten zullen zich verblijden;

  het is uw wraak die leven doet.

  Verloren gaat schuldig bloed.

  Godslasteraars hebt Gij doen lijden.

  Gewis, God spreekt zijn recht op aard,

  zijn loon wordt voor zijn knecht bewaard.

---

*59

#7

1

  Kom, Heer, mij uit de hand bevrijden

  van die mij haten en bestrijden;

  red Gij mij, treed voor mij in 't veld,

  ontruk mij aan hun ruw geweld.

  Verlos mij van die kwaad bedrijven

  en die met bloed hun sporen schrijven.

  Zij zijn met al hun brute kracht

  alleen op mijn verderf bedacht.

2

  Wat heb ik tegen hen misdreven,

  dat zij belust zijn op mijn leven?

  Ik heb hun nimmer kwaad gedaan,

  en nochtans vallen zij mij aan.

  Te hulp, ontwaak, Heer der heerscharen!

  Doe toch uw oordeel nedervaren!

  Gij God van Isra‰l, sla ze, sla

  wie 't recht verraadt, heb geen gena!

3

  Als honden die hun prooi begeren

  hoort men ze 's avonds wederkeren

  en huilend gaan de stadsmuur rond.

  O God, venijn is in hun mond,

  scherp als een zwaard is wat zij zeggen.

  Sla acht op wat zij overleggen;

  "Wie zou ons horen!" - maar Gij spot

  met die vermeet'len, Heer mijn God.

4

  Ja, U mag ik mijn sterkte noemen,

  mijn vaste burcht, U wil ik roemen!

  Treed met uw heil mij tegemoet,

  Gij, die het kwaad hen boeten doet.

  Doe niet terstond die trotsen sterven,

  maar laat ze dolen, laat ze zwerven,

  opdat mijn volk het niet vergeet,

  maar van uw trouw, uw oordeel weet.

5

  O God mijn schild, richt ze te gronde,

  want in hun mond is enkel zonde,

  zij brengen niets dan leugen voort;

  verstrik hen in hun eigen woord.

  Verdoe ze in hun hoogmoed , Here,

  laat hen uw heil'ge toorn verteren,

  opdat zij weten: Jakobs God

  heeft alles onder zijn gebod.

6

  Als honden die hun prooi begeren

  hoort men ze 's avonds wederkeren

  en grommend gaan de stadsmuur rond;

  niet een van hen, die voedsel vond.

  Maar ik bezing uw grote daden,

  prijs elke morgen uw genade,

  want Gij zijt in benauwenis

  de burcht die mijn vertrouwen is.

7

  Ja, U mag ik mijn sterkte noemen,

  mijn vaste burcht, U wil ik roemen!

  O God, wiens goedertierenheid

  zich over mij heeft uitgebreid.

---

*60

#4

1

  O God, die ons verstoten had,

  die niet meer hoorde als men bad,

  uw gramschap deed ons ondergaan;

  herstel ons, hoor ons weder aan.

  Gij hebt, o Heer, ons land gekloofd,

  Gij hebt het van zijn kracht beroofd.

  Genees zijn dodelijke wonde,

  want het gaat wankelend te gronde.

2

  De les was hard, die Gij ons gaaft,

  met zware wijn hebt G' ons gelaafd.

  Maar nu hebt Gij uw trouwe knecht

  gehard voor het verwacht gevecht.

  Hem die aldus ten strijde vaart,

  zal, onder uw banier geschaard,

  de overwinning zijn beschoren.

  O God, wil ons gebed verhoren!

3

  Maar wat? Mijn God heeft reeds gehoord.

  In 't heiligdom weerklonk zijn woord.

  Ik juich, ik zal de vijand slaan

  aan beide oevers der Jordaan.

  Dan, mij erkennend als hun heer,

  werpt zich het Noorden voor mij neer

  en 't Zuiden hoort naar mijn bevelen.

  Heel 't land zal 'k meten verdelen.

4

  Wie voert mij met een vaste hand

  tot in het hart van 's vijands land?

  O God, die ons verstoten had,

  trek met ons uit, wijs ons het pad,

  want mensenhulp is ijdelheid.

  Nu God ons bijstaat in de strijd

  is elke heldendaad te wagen.

  De vijand wordt door Hem verslagen.

---

*61

#5

1

  O Here, verhoor mijn smeken.

  Haast bezweken

  roep ik, ver van U vandaan.

  Sla toch acht op mijn gebeden,

  leid mijn schreden,

  dat ik tot U op kan gaan.

2

  Mijn schutse waart Gij tevoren;

  sterke toren,

  wees mij weer ten toevluchtsoord.

  Staan de mensen mij naar 't leven,

  Gij zult geven

  't erfdeel van wie U behoort.

3

  Laat mij als een kleine vogel

  schuilen mogen

  waar G' uw vleug'len om mij slaat.

  Want gij weet wien ik mij wijdde,

  dat ik zeide:

  Heer, Gij zijt mijn toeverlaat!

4

  O Heer, geef den koning vrede,

  deel hem mede

  overvloed van levenstijd.

  Dat hij trone ons ten goede,

  dat hem hoede

  trouw en goedertierenheid!

5

  Dan zal ik uw naam vereren,

  Here, Here,

  psalmen zingen dat het schalt!

  Dagelijks zal ik U geven

  heel mijn leven,

  door uw lichtglans overstraald.

---

*62

#7

1

  Mijn ziel is stil tot God mijn Heer,

  van Hem verwacht ik altijd weer

  mijn heil, -op Hem toch kan ik bouwen.

  Ik wankel niet, want Hij staat vast;

  mijn toevlucht, als het water wast,

  mijn rots, mijn enige vertrouwen.

2

  Hoe lang belaagt gij en hoe lang

  bedreigt ge mij met ondergang,

  die tot mijn onheil hebt besloten?

  Wat stormt gij aan met ruw geweld?

  Gij zelf zijt als een muur die helt

  en haast aan stukken is gestoten.

3

  Mijn haters sloten zich aaneen

  met velen tegen mij alleen, -

  hoe zou mijn val hun hart verheugen!

  Zij zijn vol valsheid en verraad,

  zij spreken heil, maar denken haat,

  hun lust en leven is de leugen.

4

  Wees stil, mijn ziel, tot God uw Heer,

  Hij immers schenkt u altijd weer

  zijn heil, -op Hem toch kunt gij bouwen.

  Wankel dan niet, want Hij staat vast,

  Hij is, ook als het onheil wast,

  uw rots, uw enige vertrouwen.

5

  Voorwaar, Hij is mijn heil, mijn rots,

  mijn naam rust in de schutse Gods.

  O volk, uw God laat u niet vallen.

  Als gij voor Hem uw hart uitstort,

  vertrouw dat gij gezegend wordt;

  God is een schuilplaats voor ons allen.

6

  Zet nooit uw hart op geld of goed,

  zie toe dat gij geen onrecht doet,

  want alle macht is snel vervlogen.

  't Zij hoog of laag, 't zij arm of rijk,

  gij zijt een ademtocht gelijk,

  lucht, in een weegschaal afgewogen.

7

  God stelde eens voor al zijn woord,

  tot tweemaal toe heb ik 't gehoord, -

  nu weet ik, dat Hij alle macht heeft.

  Maar ook dat Gij genadig zijt,

  o Here, die uw volk bevrijdt

  en elk vergeldt wat hij betracht heeft.

---

*63

#4

1

  Mijn God, Gij zijt mijn toeverlaat,

  Naar U, Heer, strekt zich mijn verlangen.

  Mijn hart wil niets dan U ontvangen,

  die leven zijt en leven laat.

  O Heer, mijn ziel en zinnen smachten

  en dorsten naar U in een land,

  waarop de zon verzengend brandt,-

  schenk Gij mijn leven nieuwe krachten.

2

  Eens zag ik in uw tempelhof

  U in uw glorie hoogverheven,

  wiens gunst mij meer is dan het leven,

  mijn lippen stamelden uw lof.

  Mijn leven lang wil ik U prijzen,

  uw naam aanbidden, want Gij voedt

  mij met uw kracht, Gij schenkt mij moed.

  O Heer, ik wil U dank bewijzen.

3

  Wanneer ik wakend in de nacht

  mijn geest bij U, Heer, laat vertoeven,

  dan mag ik weer uw goedheid proeven;

  uw hulp wordt nooit vergeefs verwacht.

  Waar zich uw vleugels breed ontvouwden,

  zing ik mij van mijn zorgen vrij.

  Mijn ziel, Heer, is U zeer nabij,

  door uw hand word ik vastgehouden.

4

  Maar die mij naar het leven staan,

  zij zullen 't met de dood betalen;

  Gij laat door 't zwaard hen achterhalen,

  jakhalzen vallen op hen aan.

  God maakt een eind aan alle leugen,

  maar heil de mens, die bij Hem zweert!

  In God wiens waarheid triomfeert

  zal Isra‰ls koning zich verheugen.

---

*64

#6

1

  Behoed mij, Heer, hoor naar mijn klagen!

  De vijand trekt mij tegemoet.

  Al wat er woelt en onrecht doet

  is tegen mij, legt mij zijn lagen.

  Doe redding dagen!

2

  Hun tong is als een scherpe degen,

  hun woord is als een pijl gepunt

  op mijn onschuldig hart gemunt.

  Zij zijn in hinderlaag gelegen

  langs al mijn wegen.

3

  Zij zeggen: "Laat ons strikken spannen,

  geen ziet ze, geen die ons verraadt!"

  Zij zijn voortdurend uit op kwaad

  en pochen op hun slinkse plannen

  mij t' overmannen.

4

  Wie zal hun listig hart doorgronden?

  Daar treedt de Heer hun tegemoet.

  Hoe zijn zij in hun overmoed

  door zijn geduchte pijl gevonden!

  Zie toch hun wonden!

5

  Het vlijmscherp wapen dat zij smeedden,

  hun tong, het werktuig van hun macht,

  heeft nu henzelf ten val gebracht.

  God sloeg hen, zij zijn zonder vrede-

  door elk gemeden.

6

  Lof zij den Heer! Laat elk Hem vrezen

  en spreken van zijn grote daad.

  Oprechten mogen vroeg en laat

  schuilen bij Hem en vrolijk wezen.

  God zij geprezen.

---

*65

#6

1

  De stilte zingt U toe, o Here,

  in uw verheven oord.

  Wij zullen ons naar Sion keren

  waar Gij ons bidden hoort.

  Daar zal men, Heer, tot u zich wenden,

  tot U komt al wat leeft,

  tot U, o redder uit ellende,

  die alle schuld vergeeft.

2

  Zalig wie door U uitverkoren

  mag wonen in uw hof,

  hoezeer hij door zijn schuld verloren

  terneerlag in het stof.

  Wij worden door U begenadigd

  die heilig zijt en goed.

  Gij die ons in uw huis verzadigt

  met alle overvloed.

3

  Gij antwoordt met geduchte daden,

  Gij treedt voor ons in 't krijt.

  God van ons heil, Gij gaat te rade

  met uw gerechtigheid.

  O Gij vertrouwen aller landen

  die ver gelegen zijn,

  Gij houdt het oordeel in uw handen,

  de aard' is uw domein.

4

  Gij plant de bergen vast in d' aarde,

  omgord met heldenmoed.

  Gij, die de heidentrots bedaarde,

  stilt ook de watervloed.

  De volkeren van verre vrezen

  de tekens van uw macht,

  U prijzend komt het licht gerezen,

  het juicht tot in de nacht.

5

  Gij komt het dorre land doorschrijden

  met water uit uw beek

  en tot een rijke oogst bereiden,

  uw voetstap maakt het week.

  Gij druipt uw zegen in de voren,

  Gij roept het kiemend graan;

  zo wordt het brood voor ons geboren

  waar Gij zijt voorgegaan.

6

  Gij kroont het jaar van uw genade.

  Waar Gij getreden zijt

  tooit de woestijn zich met een wade,

  de heuvels zijn verblijd.

  De weidegrond is wit van schapen,

  het dal van koren blond.

  Dit is het land door U geschapen,

  uw lof schalt in het rond.

---

*66

#7

1

  Breek, aarde, uit in jubelzangen,

  Gods glorierijke naam ter eer.

  Laat van alom Hem lof ontvangen.

  Geducht zijn uwe daden, Heer.

  Uw tegenstanders, diep gebogen,

  aanvaarden veinzend uw beleid.

  Heel d' aarde moet uw naam verhogen,

  psalmzingen uwe majesteit.

2

  Komt, ziet nu de geduchte werken

  die God aan mensen heeft gedaan;

  Hij stelde aan de waat'ren perken,

  droogvoets zijn zij erdoor gegaan.

  Laat zich ons hart in Hem verblijden:

  God houdt de volken in het oog.

  Zijn rijk is over alle tijden.

  Gij trotsen, draagt het hart niet hoog.

3

  Doe onze God uw loflied horen,

  gij volken, zingt alom op aard,

  looft Hem door wie wij zijn herboren,

  die ons voor wank'len heeft bewaard.

  Gij toetst ons, Gij beproeft ons leven,

  zoals men erts tot zilver smelt.

  Gij die ons, aan het vuur ontheven,

  gelouterd voor uw ogen stelt.

4

  Gij bracht ons in des vijands netten.

  Hij heeft het tuig ons aangelegd

  om in het zadel zich te zetten,

  en als een rijdier ons geknecht.

  Hij heeft ons in het vuur gedreven

  en door de wateren gejaagd.

  Toen hebt Gij 't leven ons hergeven

  en alles wat ons hart behaagt.

5

  Ik kom met gaven in mijn handen.

  Zie, tot uw tempel treedt uw knecht

  en brengt U, Heer, de offeranden,

  U in benauwdheid toegezegd.

  Brandoffers wil ik U bereiden

  en zoete geuren op doen gaan.

  Ik wil U heel mijn leven wijden:

  aanvaard het, neem mijn offer aan.

6

  Gij die God vreest, ik zal u spreken

  van al wat aan mij is geschied.

  Nauw richtte ik tot Hem mijn smeken,

  of in mijn hart was reeds een lied.

  Zou God mij hebben willen horen,

  wanneer ik onrecht had beraamd?

  Maar Hij nam mijn gebed ter ore,

  Hij heeft mijn bidden niet beschaamd.

7

  De naam des Heren zij geprezen!

  Hij, die getrouw is en nabij,

  heeft mijn gebed niet afgewezen.

  De Heer is goed geweest voor mij.

---

*67

#3

1

  God zij ons gunstig en genadig.

  Hij schenke ons 't gezegend licht

  dat overvloedig en gestadig

  straalt van zijn heilig aangezicht;

  opdat hier op aarde

  elk uw weg aanvaarde

  en tot U zich wend ',

  zo, dat allerwegen

  ieder volk de zegen

  van uw heil erkent.

2

  De volken zullen U belijden,

  o God, U loven al te zaam!

  De landen zullen zich verblijden

  en juichen over uwen naam.

  Volken zult Gij rechten,

  hun geding beslechten

  in gerechtigheid,

  volken op deez' aarde,

  die uw arm vergaarde,

  die Gij veilig leidt.

3

  De aarde heeft de vrucht gegeven,

  die door de hemel werd verwekt,

  en uit haar schoot ontspruit nieuw leven

  waar God zijn hand houdt uitgestrekt.

  God is ons genegen,

  onze God geeft zegen,

  Hij die alles geeft,

  Hij zal zijn geprezen,

  Hem zal alles vrezen

  wat op aarde leeft.

---

*68

#12

1

  God richt zich op, de vijand vlucht;

  zijn haters voor zijn aangezicht,

  als rook zijn zij verdreven.

  Zij zijn als was in deze vlam,

  zijn woede heeft hen, waar Hij kwam,

  ten dode opgeschreven.

  Maar de getrouwen zijn verblijd.

  zij staan voor Hem in vrolijkheid,

  zij zijn verrukt van vreugde.

  Zingt God en speelt zijn naam ten prijs,

  zingt Hem op een verhoogde wijs

  om wat uw hart verheugde.

2

  Draagt op een lied, aan Hem gewijd

  die spoorslags op de wolken rijdt;

  hoog is de Naam verheven!

  Hij, vader van 't verweesde kind,

  bij wie een vrouw bescherming vindt

  in haar vereenzaamd leven.

  Hij, Here in zijn heiligdom,

  doet wie verlaten was, weerom

  het samenzijn ervaren.

  Wie was gevangen wordt bevrijd,

  maar Hij verbant in eenzaamheid

  al wie weerspannig waren.

3

  O God, de wond'ren die Gij deedt,

  toen Gij daar voor ons henen schreedt!

  De aarde werd bewogen.

  Dit is de berg van uw verbond!

  Uw stromen drenken hier de grond,

  hier daalt Gij uit den hoge.

  Een regen van vrijgevigheid

  hebt Gij uw erfdeel toebereid,

  uw erfdeel dat versmachtte.

  Uw schare heeft zich daar gezet;

  dit is uw woord, dit is uw wet;

  Gij geeft ons nieuwe krachten.

4

  God gaf zijn woord, roert nu de trom,

  reidanst, gij vrouwen, roept alom,

  dit is de blijde mare:

  veldheren vluchten voor Hem uit,

  in vrouwenhanden valt de buit

  van boze legerscharen.

  Deelt gij niet mee in overvloed?

  Zilveren vleugels, gouden gloed,

  een vlucht van witte duiven,

  zij dekken als de sneeuw het veld.

  De Heer staat op, Hij is een held

  die legers doet verstuiven.

5

  Gij godenbergen voor Gods oog,

  gij machten met uw hart zo hoog,

  die op dit Sion neerziet,

  hier koos de Heer zich vaste voet,

  hier stichtte Hij zijn huis voorgoed,

  buigt u dan neer in eerbied!

  Ontelbaar is de ruiterstoet

  waarmee de Heer zijn intocht doet

  aan 't hoofd van zijn vazallen,

  Hij voert de volkeren rondom

  schatplichtig naar zijn heiligdom,

  gij mensen, looft Hem allen!

6

  O stoet van wie het heil bevocht

  en grote overwinningstocht,

  o Heer, die zijt geprezen!

  Gij God, die duizend - duizendmaal

  aanbeden wordt in elke taal,

  almachtig Opperwezen!

  Zie hoe de Heer ten hemel vaart,

  vurige wagen, vurig paard,

  wolk die den Heer verhulde.

  Gevangen de gevangenis!

  Hij die ons hoogst verlangen is

  ontvang de hoogste hulde.

7

  God zij geprezen met ontzag.

  Hij draagt ons leven dag aan dag,

  zijn naam is onze vrede.

  Hij is het die ons heeft gered,

  die ons in ruimte heeft gezet

  en leidt met vaste schreden.

  Hij die het licht roept in de nacht,

  Hij heeft ons heil teweeggebracht,

  dat wordt ons niet ontnomen.

  Hij droeg ons door de diepte heen,

  de Here Here doet alleen

  ons aan de dood ontkomen.

8

  Hij klieft het hoofd van wie Hem haat,

  de vijand die Hem wederstaat;

  God heeft het woord gesproken;

  Ik doe u keren naar uw huis,

  Ik haal u door het water thuis,

  dan zult gij zijn gewroken!

  Uw feeststoet zal men zien, o Heer,

  mijn Koning, in uw wederkeer,

  uw tempel en uw tuinen.

  Muziek zal U ter zijde gaan,

  ik hoor de tamboerijnen slaan,

  weerklinken de bazuinen.

9

  God is de bron, de klare wel,

  springader voor heel Isra‰l,

  uit Hem vloeit louter zegen.

  Zijn lof ontspringt als een fontein,

  zijn volk zal louter vreugde zijn,

  komend van allerwege.

  God, onze sterke bondgenoot,

  toon ons uw macht, uw krachten groot;

  Gij zult uw stad gedenken.

  Vorsten van verre bieden Hem

  terwille van Jeruzalem

  hun eerbied, hun geschenken.

10

  Sla, Heer, de horde van de Nijl,

  bestraf hun macht, herstel ons heil.

  Uw gunst is ons van node.

  Als brute stieren gaan, o Heer,

  ondieren tegen U te keer,

  de volk'ren en hun goden.

  Wie dorst naar zilver en naar goud

  en wie het met de oorlog houdt

  zult Gij ternederdwingen.

  Gij die de hemelen doorkruist,

  verstrooi de vijand met uw vuist,

  dan zal de aarde zingen.

11

  Ook zelfs het land der duisternis

  zal weten wat uw luister is,

  Egypte zal U eren.

  Het morgenland strekt als een bruid

  de handen haastig naar U uit,

  ook daar zult Gij regeren.

  De wereld brengt U huldeblijk,

  want heel de wereld is uw Rijk,

  Jeruzalem het midden;

  koningen overal vandaan

  komen met schatting voor U staan,

  elk land zal tot U bidden.

12

  Gij mogendheden, zingt een lied,

  zingt Hem die koninklijk gebiedt,

  hier en in alle landen.

  Hij heft zijn stem, een stem van macht-

  uw sterkte zij Hem toegebracht,

  strekt tot Hem uit uw handen.

  Zijn heerlijkheid en hoog bevel

  staan wakend over Isra‰l,

  geen wankeling gedogend.

  Doorluchtig is uw majesteit,

  geef aan uw volk standvastigheid,

  o Here God hoogmogend.

---

*69

#9

1

  Red mij, o God, het water stijgt en stijgt,

  ik heb geen vaste grond onder de voeten.

  Zal ik dan in het niet verzinken moeten,

  in het moeras des doods, waar alles zwijgt?

  Ik heb geroepen tot mijn stem 't begaf.

  Voortdurend heb ik naar U uitgekeken.

  Het diepe water wordt mij tot een graf,

  mijn keel is hees, mijn ogen zijn bezweken.

2

  Zij zijn ontelbaar, die uit kwade trouw

  zonder erbarmen totterdood mij jagen

  en, zonder recht, voldoening van mij vragen.

  Gij kent mijn dwaasheid en uw oog ziet nauw.

  Laat niet te schande worden wie U zoekt,

  laat niet hun moed versagen mijnentwege

  en laat uw hoge naam niet zijn gevloekt,

  o Heer des hemels, hoed mij door uw zegen.

3

  Het is om U dat ik word afgeweerd,

  om U draag ik het brandmerk van de schande,

  verbroken zijn de broederlijke banden,

  de ijver voor uw huis heeft mij verteerd.

  De smaad van wie U smaadt kwam op mij neer

  en met de vinger word ik nagewezen.

  Mijn rouw en tranen keren tot mij weer.

  In aller oog moet ik verachting lezen.

4

  Tot U, o Heer, tot U is mijn gebed,

  hoor mij en kom mij met uw hulp te stade;

  ik smeek U om een stonde van genade,

  ik heb mijn hart, mijn hoop op U gezet.

  Houd mij dan vast en wees mij toegedaan,

  antwoord mij, Heer, Gij wilt mij immers helpen.

  Wend U tot mij, zie mij barmhartig aan,

  laat mij niet door het water overstelpen.

5

  Verberg uw aangezicht niet voor uw knecht,

  bang is het mij te moede, houd mij staande.

  Gij kent mijn smaad, mijn schande en mijn schaamte,

  spreek over hen die mij benauwen recht!

  Nergens is troost en nergens medelij!

  Gal is mijn spijs, azijn krijg ik te drinken.

  Kom nader, Heer, en maak mijn leven vrij

  dat mij het hart niet gans en al ontzinke.

6

  Hun eigen tafel worde tot een strik

  en tot een val voor al hun disgenoten;

  doe hen verdolen met hun oog gesloten

  en doe verduist'ring dalen voor hun blik.

  Stort, Here God, op hen uw gramschap uit

  en laat de gloed uws toorns hen achterhalen,

  hun woonplaats zij aan het verderf gewijd,

  doe over hun bestaan de schaduw dalen.

7

  Want wie door uw gericht ten dode ging,

  die wordt tot mikpunt van hun spot genomen.

  Voeg schuld bij schuld en laat het nimmer komen

  tot uw genade, uw rechtvaardiging!

  Laten hun namen worden uitgewist,

  dat zij niet langer in uw boek ten leven,

  waarin niet een der uwen wordt gemist,

  met het rechtvaardig volk zijn opgeschreven.

8

  Maar ik, die diep gebukt ga onder leed,

  ik zal nochtans uw grote goedheid prijzen.

  Dat is U liever, Heer, dan eerbewijzen,

  offers waarmee men voor het altaar treedt.

  Als uit de afgrond zo uw lof opgaat,

  dan zal dat uw bedroefden blijdschap geven,

  daar Gij de onderdrukten gadeslaat.

  Gij allen die God zoekt, uw hart herleve!

9

  Hemel en aarde, prijst om strijd den Heer,

  gij grote zee en alle watervloeden.

  Vrijwaren zal hij Sion en behoeden,

  in Juda 's lot brengt Hij een ommekeer.

  Men zal weer wonen in 't beloofde land,

  een nieuw geslacht vindt daar bij u nieuw leven

  en Gij zult met een koninklijke hand

  al wie uw bijzijn zoeken woning geven.

---

*70

#2

1

  Haast U om mij te redden, God!

  O Heer, doe uw verlossing dagen.

  Maak hen beschaamd die mij belagen.

  Drijf met de spotters zelf de spot.

  Verlos, o Heer, mij uit de handen

  van wie mij naar het leven staan.

  Doe Gij het lachen hun vergaan,

  dan vluchten zij voor eigen schande.

2

  Laat die U zoeken in hun nood

  verheugd een vrolijk lied beginnen.

  Laat allen die uw heil beminnen

  voortdurend zingen: God is groot!

  Maar ik ben arm, zie mijn ellende.

  Haast U tot mij, bevrijd mij, Heer!

  Gij zijt mijn hulp, toef niet te zeer,

  maar spoed U om mijn lot te wenden.

---

*71

#14

1

  Heer, laat mij schuilen in uw hoede,

  begeef mij niet o God,

  maak nimmer mij ten spot.

  Leid in uw trouw mijn weg ten goede,

  verleen mij uw nabijheid

  en stel mij in de vrijheid.

2

  Wees mij een burcht, waarheen ik vluchten,

  waarin ik nacht en dag

  mij veilig bergen mag.

  Mijn Rots, bij U is niets te duchten,

  Gij hebt in al mijn noden

  redding en heil geboden.

3

  Bevrijd mij van den goddeloze

  en laat toch nimmer toe

  dat hij mij onrecht doe.

  Verlos mijn leven van den boze.

  Op U, Heer, blijf ik bouwen

  met kinderlijk vertrouwen.

4

  Sinds mij mijn moeder had ontvangen

  en vormde in haar schoot,

  waart Gij mijn hulp in nood.

  U Heer, U loven mijn gezangen;

  verlosser van mijn leven,

  uw naam zij hoog verheven.

5

  Het was voor velen tot een teken,

  Heer, dat ik staande bleef, -

  een wonder dat ik leef.

  Want steeds zijt Gij mijn Rots gebleken,

  steeds wil mijn mond U noemen,

  Grootmachtige, U roemen.

6

  Laat nu ik oud word mij niet vallen,

  mijn krachten nemen af,

  reeds delft men mij het graf.

  Ik hoor rondom de vijand brallen:

  Grijp toe, niets kan hem baten,

  want God heeft hem verlaten.

7

  Wees mij nabij en kom mij helpen,

  verlos mij, Heer, met spoed

  en keer hun overmoed.

  Kom hen met schande overstelpen,

  kom hen met smaad bedekken

  die niets dan kwaad verwekken.

8

  Maar ik blijf, Here, op U wachten

  en ik gewaag altijd

  van uw gerechtigheid.

  Uw heil is nooit uit mijn gedachten;

  want wat Gij mij kunt schenken

  is meer dan ik kan denken.

9

  Ik roem de grootheid van uw daden,

  ik meld aan iedereen

  uw recht, uw recht alleen.

  Gij weest mij reeds als kind uw paden;

  nog prijs ik U, ik zegen,

  o Heer, uw wond're wegen.

10

  Maak m' in mijn grijsheid niet onmomdig.

  Verlaat mij niet te zeer,

  maar gun mij stem, o Heer,

  dat ik een nieuw geslacht verkondig

  uw grootheid en uw sterkte,

  al wat uw arm bewerkte.

11

  Ik zie, o Heer, uw trouw oprijzen

  tot in de hemel hoog,

  zij blinkt voor ieders oog.

  Gij toont uw macht in gunstbewijzen,

  voor U moet alles wijken, -

  Heer, wie is uw gelijke!

12

  Gij die mij onheil en veel noden

  deedt zien, Gij laat mij niet

  in donker en verdriet.

  Gij hebt het dodenrijk geboden

  mij heelhuids weer te geven,

  Gij wilt dat ik zal leven.

13

  Vermeerder Gij mijn kracht, o Here,

  geef dat ik dag aan dag

  uw troost ervaren mag.

  Dan zal ik vrolijk musiceren,

  uw trouw, uw zegeningen,

  o Heilige, bezingen.

14

  Ja, mijn verloste hart zal juichen

  en met mijn lippen saam

  verheffen 's Heren naam.

  Mijn tong zal van uw trouw getuigen,

  mijn lied zal hen beschamen

  die mijn verderf beramen.

---

*72

#7

1

  Geef, Heer, de koning uwe rechten

  en uw gerechtigheid

  aan 's konings zoon, om uwe knechten

  te richten met beleid.

  Dan ruist op alle bergen vrede,

  heil op der heuv'len top.

  Hij zal geweldenaars vertreden,

  maar armen richt hij op.

2

  Zolang de zon des daags zal rijzen,

  de maan schrijdt door de nacht,

  moet al het volk hem eer bewijzen,

  hem loven elk geslacht.

  Hij moge mild zijn als de regen,

  het land tot lafenis.

  Vrede zal bloeien aller wegen,

  totdat geen maan meer is.

3

  Heerse van zee tot zee zijn vrede,

  van land tot land zijn lof,

  de volken zullen tot hem treden,

  zijn vijand likt het stof.

  Tarsis en Scheba 's verre stranden,

  brengt hem uw overvloed.

  Gij koningen van alle landen,

  valt deze heer te voet.

4

  Hij zal de redder zijn der armen,

  hij hoort hun hulpgeschrei.

  Hij is met koninklijk erbarmen

  hun eenzaamheid nabij.

  Hij helpt, met hun bestaan bewogen,

  die zijn in vrees verward.

  Hun bloed is kostbaar in zijn ogen.

  Hij draagt hen in zijn hart.

5

  Leve de koning in ons midden,

  geef hem Arabisch goud.

  Laten wij daag'lijks voor hem bidden,

  nu hij de scepter houdt.

  Het veld zal blinken van het koren.

  Men zal het als een woud

  zelfs op de bergen ruisen horen,

  het ganse land is goud.

6

  Bloeie zijn naam in alle streken,

  zolang de zon verrijst.

  Zijn koningschap zij ons een teken

  dat naar Gods toekomst wijst.

  Dat opgetogen allerwegen

  de volken komen saam,

  elkander groetend met de zegen

  van zijn doorluchte naam.

7

  Laat ons de grote naam bezingen

  van Hem die Isra‰l leidt,

  want Hij alleen doet grote dingen,

  zijn roem vervull' de tijd.

  Looft God de Heer, Hij openbaarde

  zijn wonderen, zijn eer.

  Zijn heerlijkheid vervult de aarde.

  Ja, amen, looft de Heer.

---

*73

#11

1

  Ja, God is goed voor Isra‰l,

  is waarlijk goed, ik weet het wel,

  voor 't zuiver hart dat leeft in vrede.

  Maar ik was bijna uitgegleden.

  Mijn afgunst groeide met de dag,

  daar ik der bozen voorspoed zag,

  hoe moeiteloos hun leven is,

  zo zonder kwelling en gemis.

2

  Hun lichaam is zo gaaf, zo mooi,

  zij vallen aan geen plaag ten prooi,

  't is daarom dat zij zich vermeten,

  geweld hun kleed, de trots hun keten.

  Zij leven naar hun eigen wet,

  hun ogen puilen uit van vet.

  Verwaten beeldt hun hart zich in,

  dat alles gaan moet naar hun zin.

3

  Zij lopen rond met hoon en spot,

  zij lachen om ons bitter lot.

  Zij zeggen: Laat ons hen verdrukken!

  Al wat zij doen lijkt te gelukken.

  Zij dagen zelfs de hemel uit,

  zij doen zo onbeschaamd, zo luid.

  De hele aarde, zeggen zij,

  ligt onder onze heerschappij.

4

  't Volk weet niet waar het schuilen moet,

  men eet zijn vlees, men drinkt zijn bloed,

  het schijnt alsof het is vergeten.

  Zij zeggen: Hoe zou God het weten?

  De Allerhoogste ziet het niet!

  Zo groeit hun waan, die niets ontziet.

  Zij leven vrolijk zonder God,

  voor hun bezit, hun dwaas genot.

5

  Vergeefs was ik mijn handen rein,

  zoek zuiver in mijn hart te zijn.

  De lange dag lijd ik hun plagen,

  hun straf moet 'k elke morgen dragen.

  Maar als ik onomwonden zei,

  hoe bitter alles is voor mij,

  ontmoedigde dan niet mijn woord,

  het volk dat wacht tot Gij het hoort?

6

  Toen 'k dat in wanhoop overwoog,

  toen werd het donker voor mijn oog,

  ik tastte rond als in den blinde

  om van uw recht het spoor te vinden.

  Totdat ik in de tempel ging,

  uw heil'ge stilte mij ontving,

  toen heb ik pas het lot verstaan

  van wie hun weg ten einde gaan.

7

  Zij zijn 't, wier voet op vallen staat,

  wier weg in 't ongewisse gaat.

  Tot puin wordt alles waar z' op bouwen,

  verschrik'lijk zijn zij om t' aanschouwen,

  ten prooi aan dood en ondergang,

  al duurt het, lijkt het, nog zo lang

  de Heer waakt op, dan vallen zij,

  zij gaan gelijk een droom voorbij.

8

  Hoe was ik in opstandigheid

  een dwaas voor U die wijsheid zijt.

  Ik zag geen zin meer in het leven,

  dat door het kwade scheen omgeven,

  dat naar geen doel meer scheen gericht.

  Ik was voor U, die troont in 't licht,

  een zot, die ziet en niet verstaat,

  een dier, het weet niet waar het gaat.

9

  Nu blijf ik bij U altijd,

  God die mij troost, die bij mij zijt,

  mijn twijfel stilt en mijn verlangen,

  die mij in liefde houdt omvangen.

  Gij neemt mij bij de rechterhand,

  Gij zijt getrouw, uw raad houdt stand,

  uw wijsheid is het die mij leidt

  en eenmaal kroont met heerlijkheid.

10

  Wien heb ik in den hemel, Heer,

  behalve U, mijn troost en eer?

  Wat kan op aarde mij bekoren?

  Alleen bij U wil ik behoren.

  Al zou mijn vlees en hart vergaan,

  toch zal ik, God, voor U bestaan,

  wien ik mijn leven toevertrouw,

  Gij zijt de rots waarop ik bouw.

11

  Want allen die U verre staan,

  zij zullen eens te gronde gaan.

  Gij stort hen neer in de ellende,

  die zich in ontrouw van U wenden.

  Maar 't is mijn ziel en zaligheid

  te zijn bij God, die zelf mij leidt.

  'k Vertrouw op Hem geheel en al,

  den Heer, wiens werk ik roemen zal.

---

*74

#14

1

  Waarom , o God, verstoot Gij voor altoos,

  verzengt uw toorn de schapen uwer weide?

  Gedenk uw erfdeel dat G' in oude tijden

  verlost' en tot gemeente U verkoos.

2

  Gedenk aan Sion waar Gij hebt gewoond,

  richt naar 't verwoeste heiligdom uw schreden.

  Het ligt in puin, door vijanden vertreden,

  niets heeft hun onbehouwenheid verschoond.

3

  Zij tierden in de woning van uw heil,

  daar hebben zij hun vaandels opgestoken

  en blindelings het snijwerk weggebroken,

  als kreupelhout verbrijzeld met de bijl.

4

  Uw heil'ge tempel hebben zij verbrand,

  ontwijd, onteerd de woning van uw vrede.

  Toen zeiden zij: laat ons dit volk vertreden.

  Geen godshuis bleef gespaard in heel het land.

5

  De godsspraak zwijgt, geen teken dat voorspelt,

  geen ziener wilt U aan uw knechten zenden

  en niemand ziet het einde der ellenden.

  Hoelang nog duurt hun hoon en hun geweld?

6

  Lijdt dan uw naam voorgoed des vijands spot,

  waarom ziet niemand uw geducht werken?

  Strek uit uw hand, uw rechterhand, de sterke,

  sla toe, verdelg uw vijanden, o God.

7

  En toch, ik weet, mijn Koning is de Heer,

  van oudsher deed Hij heil op aarde dagen,

  deelde de zee en heeft de draak verslagen.

  Hij sloeg de monsters van de oervloed neer.

8

  Gij zijt het die door uw geduchte hand

  des leviathans koppen hebt gespleten,

  in de woestijn zijn aas hebt neergesmeten,

  ten prooi aan 't wild gedierte in het zand.

9

  Gij zijt het die de aarde openscheurt

  en frisse bronnen doet tevoorschijn breken.

  Gij zijt het ook die waterrijke beken

  verdrogen doet, zodat de akker treurt.

10

  U is de dag, U is de nacht, o Heer.

  De zon, de sterren rusten in uw handen.

  Gij stelt een grens vast tussen zee en landen,

  bepaalt de tijd voor der seizoenen keer.

11

  O Heer, die zo uw koningsmacht betoont,

  wil eind'lijk toch uw naam, uw eer gedenken.

  Zie hoe een volk van dwazen U durft krenken

  en hoe de vijand openlijk U hoont.

12

  Lever uw tortelduif niet uit, o Heer,

  geef haar niet aan de wilde dieren over,

  laat haar een schuilplaats vinden in het lover.

  Vergeet uw kind'ren niet voor immermeer.

13

  Aanschouw, o Heer, en denk aan uw verbond,

  nu zij in 't duister hun geweld beramen.

  Wil in hun nood de armen niet beschamen.

  Geef ons uw naam, uw lied weer in de mond.

14

  Sta op, o God, sta op, beslecht uw pleit

  en maak een einde aan de hoon der dwazen.

  Vergeet niet hoe uw tegenstanders razen

  en hoe hun overmoed ten hemel schreit.

---

*75

#7

1

  U alleen, U loven wij,

  U loven wij, onze Heer,

  want uw naam zo rijk van eer

  is tot onze vreugd nabij.

  Men vertelt in heel het land

  al de wond'ren van uw hand.

2

  "Ja, Ik kom, Ik kies de tijd,

  Ik kies de tijd ten gericht.

  Lijkt het of de aarde zwicht,

  wankelt recht en zekerheid,

  Ik bewaar het wereldrond,

  op mijn trouw is het gegrond".

3

  Allen die hoogmoedig zijt,

  en onrecht pleegt, toomt u in.

  Gij die goddeloos van zin

  heft de hoorn der ijdelheid,

  spreekt niet met zo hoge hals,

  al uw praal is voos en vals.

4

  Of gij oost- of westwaarts ziet,

  om hulp zoekt in de woestijn,

  alle grootheid is slechts schijn;

  God is Rechter die gebiedt.

  Hij verhoogt en Hij slaat neer

  naar zijn recht, Hij is de Heer.

5

  't Is de Heer die in zijn hand

  een beker heeft die Hij vult

  in zijn heilig ongeduld,

  die Hij vult tot aan de rand

  met de wijn die schuimt als bloed,

  bruist in volle overvloed.

6

  Zelf zal Hij de schenker zijn,

  de schenker zijn en Hij dwingt

  elke zondaar dat hij drinkt,

  drinkt de droesem van de wijn,

  drinkt de toorn met bitt're mond,

  slurpt zijn gramschap tot de grond.

7

  God is 't die ik loven zal,

  ik loven zal als mijn Heer.

  Ik vermeld zijn roem en eer,

  ik bewerk der bozen val.

  Al wie in Gods recht gelooft,

  gaat met opgeheven hoofd.

---

*76

#7

1

  God wordt ge‰erd in Isra‰l,

  zijn roem, zijn naam is hier in tel.

  Zijn woonplaats heeft Hij toebereid

  in deze stad, waar haat en strijd

  om zijnentwil zijn afgezworen.

  Hij doet zijn roep uit Sion horen.

2

  Wapengeweld biedt Gij het hoofd,

  Gij die de oorlogsbliksem dooft.

  Gij die het zwaard breekt en het schild

  en die de oorlog niet meer wilt,

  maar die gehuld in zonnestralen

  de hoge bergen af komt dalen.

3

  Wie tot geweld was toegerust,

  van uw vermogen onbewust,

  Gij hebt hen in hun droom gestoord,

  geslagen met uw dreigend woord.

  Trotsen van hart doet Gij versagen,

  Gij stort z' in zee met paard en wagen.

4

  Gij, hoe vreeswekkend zijt Gij, Heer,

  wij slaan onz' ogen voor U neer.

  Wie houdt zich staande in uw gloed,

  wanneer uw toorn zich gelden doet?

  Uw oordeel klonk in storm en donder,

  de aarde vreesd' en zweeg daaronder.

5

  Als Gij, ten oordeel opgestaan,

  het boos geweld hebt weggedaan,

  wordt door uw sterke hand bevrijd

  wie wachtte in zachtmoedigheid.

  Gij hebt de tirannie verdreven

  en doet uw volk in voorspoed leven.

6

  Eens komt de tijd dat hoofd voor hoofd

  elk die op aarde leeft U looft,

  dat zelfs die thans U tegenstreeft

  ter ere van uw grootheid beeft.

  Gij zult de grimmigen betomen,

  ja allen zullen tot U komen.

7

  Gij dan die in de hofstoet gaat

  van Hem, die koningen verslaat,

  die heilig is en hooggeducht,

  brengt Hem uw lof, aanvaardt zijn tucht.

  Want allen die Hem tegenstreven

  staat Hij, de Here, naar het leven.

---

*77

#6

1

  Roepend om gehoor te vinden,

  om bij God gehoor te vinden,

  roep en smeek ik onverpoosd,

  maar mijn ziel blijft ongetroost.

  Nu de druk mij overmande,

  hef ik tot de Heer mijn handen,

  maar 't gedenken is mij pijn,

  nu ik zonder God moet zijn.

2

  's Nachts doet Gij mijn ogen staren.

  Denkend aan het spel der snaren,

  aan de dagen van weleer,

  vindt mijn hart geen woorden meer.

  En ik vraag aan mijn gedachten;

  laat de Heer voor immer smachten?

  Neemt Hij hen die smekend staan

  niet meer in genade aan?

3

  Zou de Heer zijn volk verstoten?

  Heeft de toorn zijn hart gesloten?

  Is zijn gunst voorgoed voorbij?

  Blijft niet wat Hij eenmaal zei?

  Kan God zijn gena vergeten?

  Heb ik steeds vergeefs geweten,

  dat des Allerhoogsten kracht

  stand houdt tot het laatst geslacht?

4

  God, op wat Gij eens verrichtte,

  wil ik mijn betrouwen stichten.

  Wat Gij eens gedaan hebt is

  steeds in mijn gedachtenis.

  Heel de wereld zag uw sterkte,

  zag de wond'ren die Gij werkte,

  toen Gij, groot in heiligheid,

  Jakobs volk hebt uitgeleid.

5

  Toen Gij door het diepst der zee ging,

  zag U d' afgrond aan met beving.

  Wolken goten water uit.

  Luchten dreunden van geluid.

  Toen uw felle bliksemschichten

  huiverend uw weg verlichtten,

  en uw donder om U ging,

  lag heel d' aard in siddering.

6

  God, uw pad was door de golven.

  Waat'ren hebben het bedolven

  en uw voetspoor uitgewist;

  geen die nog uw treden gist.

  Maar Gij gaaft een goed geleide

  aan het volk dat Gij bevrijdde;

  Mozes' en A„rons hand

  voerde 't in een veilig land.

---

*78

#25

1

  Mijn volk, ik ga geheimen openleggen.

  Wend nu het oor tot wat ik u zal zeggen.

  Verborgenheden wil ik openbaren,

  een van oudsher ons doorgegeven mare,

  roemrijke daden door de Heer volbracht,

  zijn grote wondren en zijn grote kracht.

2

  Laat ons wat onze vaderen vertelden

  doorgeven en aan onze kind'ren melden.

  't Getuigenis aan Isra‰l geschonken,

  het heil dat van de hemel heeft geklonken,

  het is een licht dat ons ten leven leidt, -

  ons en alwie door ons wordt ingewijd.

3

  O Heer, hoezeer onwillig en weerbarstig,

  ontrouw van geest, van harte onstandvastig

  is het geslacht dat zich op U niet richtte,

  dat niet volbracht waartoe Gij het verplichtte,

  uw daden en uw tekenen vergat

  die Gij de vaderen bewezen had.

4

  Wat kon de boog de beste schutter baten?

  Toen Efra‹m Gods wegen had verlaten,

  vlood al het heer ten dage van het strijden

  en moest de zwaarste nederlagen lijden.

  Op Gods verbond werd niet door hen gelet,

  zij weigerden te wand'len in zijn wet.

5

  Toen onze vaadren in Egypte waren,

  toen deed Hij hen zijn wonderen ervaren.

  Hij bracht hen veilig met een hand van liefde

  dwars door de zee, toen Hij het water kliefde

  en rechts en links tot staan bracht als een muur.

  Hij ging hen in wolkkolom en vuur.

6

  In woestenijen, die het hart verschroeien,

  liet Hij uit rotsen lafenis voortvloeien.

  Rivieren welden op als zegeningen,

  Hij deed uit stenen levenswater springen.

  Maar aan de bron van zijn verbond gedrenkt,

  heeft Isra‰l de trouw van God gekrenkt.

7

  Zij hebben zich als kinderen misdragen,

  zij hebben Gods geduld bestormd met vragen,

  vragen om steeds andere zegeningen;

  Hij die uit rotsen water deed ontspringen,

  kan Hij in deze barre eenzaamheid

  ook voedsel geven, tafels toebereid?

8

  Zou Hij die al wat leeft heeft laten groeien,

  die beken uit de steenrotsen deed vloeien-

  een overvloed van water om te leven, -

  ook overvloed van broden kunnen geven

  en vlees aan ons verschaffen op zijn tijd?

  Dat hoorde God in grote grimmigheid.

9

  Zo heeft zich toen des Heren toorn verheven,

  omdat zij geen vertrouwen wilden geven

  aan Hem, hun Heer, en toch deed Hij de deuren

  des hemels open, deed de wolken scheuren.

  Zo dauwde voor hun voeten manna neer,

  het brood der eng'len, gave van den Heer.

10

  God heeft een stormvlaag uit zijn hemelstreken,

  gunstige wind van boven op doen steken.

  Hij gaf hun vlees dat neerviel als de regen,

  als wolken zand zijn vogels neergezegen

  temidden van het leger en rondom

  de nederzetting van zijn heiligdom.

11

  Ruimschoots had Hij hun voedsel toegemeten,

  meer dan verzadigd werden zij van eten.

  Toen heeft de toorn van God zich zeer verheven,

  en aan de dood de vrije hand gegeven.

  De felle dood ging in hun kamp op roof;

  maar zij volhardden in hun ongeloof.

12

  God deed hun dagen als een mist verdampen.

  Hij liet hun jaren ondergaan in rampen.

  Zond Hij de dood, dan zochten zij genade,

  toch bleef hun hart gebonden aan het kwade.

  Hoewel zij Hem beleden met hun mond,

  zij waren niet getrouw aan zijn verbond.

13

  Hij was genadig en Hij bleef hen dulden,

  Hij hield zijn toorn terug, vergaf hun schulden.

  Hij was hun broze menslijkheid indachtig,

  hoe sterfelijk ze zijn en hoe onmachtig,

  een ademtocht, voortvluchtig als de wind.

  Hij zag zijn volk als een weerspannig kind.

14

  Mijn God, hoe snel vergeet men zijn bevrijding.

  Blijdschap valt licht ten offer aan ontwijding.

  Gij Heer, die heilig zijt en heilig voorging,

  vergeten zijn uw heil en uw verhoring

  bij 't volk dat nu schoorvoetend verder trekt,

  maar eenmaal door uw hand werd opgewekt.

15

  Het huis der slaven was hun onderkomen;

  maar naar het land der levenden ontkomen,

  vergaten zij wat eens hen had verwonderd:

  water door God in bloed des doods veranderd,

  de kracht des lands door krachten der natuur

  ten prooi aan duisternis en hemelvuur.

16

  Ook in het machtsgebied van vreemde goden

  heeft God de kleinste schepselen ontboden

  zijn wil te doen tegen de wil der machten,

  de kleine dieren, die vernieling brachten.

  Hagel en vuur in gans Egypteland,

  geen wijn, geen vreugde voor de dwingeland.

17

  Zijn oordeel zond Hij alom in den lande.

  Hij hield de leidsels van zijn toorn in handen.

  Een ruiterschaar van grimmigheid en wrake

  moest voor zijn heilig recht de weg vrijmaken.

  Hij gaf Egypte 's ziel aan d' aarde weer,

  zijn mankracht en zijn toekomst sloeg Hij neer.

18

  Hij deed zijn volk als schapen uitgeleide,

  in de woestijn verschafte Hij hun weide,

  zo veilig dat hun vrees was weggenomen,

  achtergelaten in de waterstromen;

  de Rode zee door God gesust, gewekt,

  heeft hen ontzien, hun vijand overdekt.

19

  Zij gingen voort, beveiligd door zijn vrede,

  God liet hen in zijn heilig land intreden,

  rondom de berg die Hij zich had verworven.

  Hij heeft zijn volk dat zolang heeft gezworven,

  een erfdeel toegemeten in een land,

  aan 't heidendom onteigend door zijn hand.

20

  Opstandig tegen God, die uit den hoge

  de mensen roept als kind'ren voor zijn ogen,

  verlieten zij het spoor van hun bestemming

  als rukten zij zich los uit een omklemming;

  als een vroegtijdig afgeschoten pijl,

  ontrouw als steeds, verwierpen zij hun heil.

21

  Maar zij bedrogen God met vreemde goden,

  vergaten waartoe Hij hen had ontboden;

  om Hem alleen van heler hart te eren, -

  met afgodsbeelden tergden zij den Here!

  Daarom verstiet Hij hen uit zijn gezicht,

  verliet het huis in Silo Hem gesticht.

22

  Zijn macht heeft Hij in ballingschap gezonden

  bij volken die zijn naam en luister schonden.

  Hij gaf hen over aan de greep der schande,

  ze zijn door vuur gegaan dat hen verbrandde.

  Geen reidans en geen offers voor den Heer,

  geen tranen zelfs, -er zijn geen tranen meer.

23

  Toen is God opgestaan als een ontwaakte,

  kampvechter God, een held die zich sterk maakte

  als in een roes, zodat Hij zijn vijanden

  joeg voor zich uit en sloeg met beide handen.

  De Heer is opgestaan, een held ten strijd,

  Hij heeft zijn naam in Juda uitgebreid.

24

  Ja, Juda heeft Hij tot zijn stam verkoren.

  Hij doet de berg van Sion als een toren

  oprijzen met een glans van tempeltinnen.

  Jeruzalem zal Hij altijd beminnen.

  Hecht als de bergen is zijn heiligdom,

  hecht als de aarde, niemand keert haar om.

25

  God riep een koning die voor Hem zou strijden,

  God riep een herder die zijn volk zou weiden,

  om wolven van de schaapskooi af te weren-

  een herder Isra‰ls, een knecht des Heren;

  David heeft zo de kudde Gods gehoed,

  oprecht en wijs, in weid' en overvloed.

---

*79

#5

1

  O God, nu zijn de heidenen gekomen,

  hebben uw erfdeel in bezit genomen,

  uw huis ontwijd, hebben uw stad van vrede

  geplunderd en verbrand, uw volk vertreden.

  Bloed kleurt de velden rood.

  Uw knechten zijn gedood.

  Zij liggen onbegraven.

  Jeruzalem is stom

  en op het land rondom

  verzaam'len zich de raven.

2

  Hoe lang, Heer, moeten wij die smaad verduren?

  Hoe lang zijn wij tot spot voor onze buren?

  Zal dan uw toorn uw eigen volk verteren?

  Tref met uw gramschap die uw naam niet eren.

  Zij zijn in overmoed

  belust op Jakobs bloed.

  Zij maken woest en ledig

  het land door ons bewoond.

  Zij hebben U gehoond,

  uw grote naam beledigd.

3

  Het kwaad dat onze vaderen bedreven,

  reken het ons niet toe, schenk ons het leven.

  Zie onze zwakheid aan, God van genade,

  en doe verzoening over onze daden.

  O Heilige, beschaam

  ter wille van uw naam

  die Isra‰l schofferen.

  Moet dan hun drieste spot

  zeggen: Waar is hun God?

  Waar is Hij nu, de Here?

4

  Doe voor ons oog de volkeren ervaren

  dat Gij het bloed hoort roepen van de aarde.

  Die zijn gekerkerd, Heer, verneem hun klachten,

  strek uit uw arm naar wie hun vonnis wachten.

  God Isra‰ls, zie aan

  de hoon U aangedaan

  door wat wij lijden moeten.

  Zij hebben U gesmaad:

  vergeld het hun en laat

  hen zevenvoudig boeten.

5

  O Heer, wij zijn het volk door U verkoren,

  wij zijn de schapen die uw roepstem horen,

  Gij, onze herder, zult ons veilig leiden

  aan stille waat'ren en in groene weiden.

  Geslacht meldt aan geslacht

  uw goedheid en uw kracht,

  de grootheid van uw daden.

  Zo gaat een blinkend spoor

  van lof de eeuwen door.

  Wij prijzen uw genade.

---

*80

#7

1

  O God van Jozef, leid ons verder,

  hoor ons en wees weer onze herder;

  gij vuurkolom, straal gij ons toe.

  Waak op, o Held, wij worden moe;

  laat lichten ons uw aanschijn, Heer,

  doe ons opstaan en help ons weer.

2

  Wek op uw kracht en kom bevrijden

  uw volk dat Gij zo zwaar kastijdde.

  Die troont daar op de cherubim,

  gedenk uw dienaar Efra‹m,

  laat zijn gebed niet onverhoord!

  Herder Isra‰ls, leid ons voort!

3

  God der heerscharen, Here Here!

  Hoe lang zult Gij uw volk verteren?

  Gij spijzigt ons met tranenbrood,

  Gij drenkt ons hart met spot en nood;

  laat lichten ons uw aanschijn, Heer,

  doe ons opstaan en help ons weer.

4

  Gij hebt een wijnstok uitgegraven,

  die, dank zij uw genadegaven,

  gegroeid stond in Egypteland,

  en hem naar Kana„n verplant.

  Daar kwam hij eerst tot volle groei,

  berg na berg dekkend met zijn bloei.

5

  Waarom hebt Gij gesloopt zijn wallen

  en wordt zijn vrucht geroofd door allen?

  Te gronde gaat uw heerlijk goed;

  het wordt door evers omgewroet

  en 't roofdier rukt de ranken neer.

  O God, machtige God, keer weer!

6

  Zie van uw hoge hemel neder,

  dat onze aanblik U verteder,

  geef op uw eigen planting acht,

  de zoon die Gij hebt grootgebracht,

  brand hem niet weg in uw gericht,

  as tot as voor uw aangezicht.

7

  Dan zullen wij niet van U wijken,

  uw naam zal op ons voorhoofd prijken,

  uw naam is ons als uw gelaat;

  een sterrebeeld, een dageraad.

  Laat lichten ons uw aanschijn, Heer,

  doe ons opstaan en help ons weer.

---

*81

#14

1

  Jubelt God ter eer,

  Hij is onze sterkte!

  Juicht voor Isra‰ls Heer,

  stem en tegenstem

  springen op voor Hem

  die ons heil bewerkte.

2

  Laat de harpen slaan,

  klinken de trompetten.

  Viert bij volle maan

  met muziek en mond

  een hernieuwd verbond

  volgens oude wetten.

3

  Dit is ingezet

  als een eeuwig teken

  Jozef tot een wet,

  toen des Heren hand

  aan Egypteland

  machtig is gebleken.

4

  God heeft ons gezegd

  nooit gehoorde dingen.

  Heilig is 't en recht

  nu en t' allen tijd

  Hem die ons bevrijdt

  vrolijk toe te zingen.

5

  Onder lasten zwaar

  waart gij haast bezweken.

  Groot was het gevaar

  Ik vergat u niet,

  in het doodsgebied

  gaf Ik taal en teken.

6

  Antwoord gaf Ik u,

  antwoord uit het onweer.

  Toen zo goed als nu

  heb Ik u beproefd;

  waar ge Mij bedroeft,

  roep Ik u tot omkeer.

7

  Luister, welk bevel

  Ik u in wil scherpen.

  Hoor Mij, Isra‰l!

  Laat geen vreemde god,

  laat geen vreemd gebod

  ooit u onderwerpen!

8

  Ik ben HIJ DIE IS;

  God wil Ik u wezen.

  Uit de duisternis

  van de slavernij

  maakte Ik u vrij;

  hebt gij nog te vrezen?

9

  Leef uit mijn verbond.

  Vraag van Mij vrijmoedig.

  Open wijd uw mond.

  Al wat u ontbreekt,

  al waar gij om smeekt

  geef Ik overvloedig.

10

  Maar mijn eigen volk

  was Mij niet ter wille.

  Hoogmoed was hun tolk

  en Ik liet hen gaan

  in hun eigen waan

  om hun trots te stillen.

11

  Ga niet van Mij heen,

  volg Mij op Mijn wegen,

  sluit u hecht aaneen.

  Waar gij langs zult gaan

  maak Ik u ruim baan;

  niemand houdt u tegen.

12

  Al wie u verdrukt

  zal Ik af doen deinzen.

  Ik verbreek het juk

  dat uw schouders knelt,

  en het ruw geweld

  zal verering veinzen.

13

  Macht en tegenstand,

  haters van de Here,

  slaat zijn sterke hand;

  tegen die Hem vleit

  in arglistigheid

  zal Hij haast zich keren.

14

  Keer terug tot Mij

  Isra‰l, gij trotse

  en de woestenij

  zal weer bloeien gaan;

  Ik geef most en graan,

  honing uit de rotsen.

---

*82

#3

1

  God staat in 't midden van de goden,

  Hij heeft hen tot gericht ontboden;

  Gij machten die het onrecht stijft,

  bevoorrecht al wie kwaad bedrijft,

  hoort; gij moest wezen en geringen

  beschermen in hun rechtsgedingen,

  gij moest wat arm is en veracht

  vrijmaken uit der bozen macht.

2

  Gij die in hoogheid zijt gezeten,

  hoe doof en blind is uw geweten!

  Gij machtigen verzaakt uw plicht,

  om uwentwil versaagt het licht.

  Ik sprak wel; goden zijt gij allen.

  Ik had aan u mijn welgevallen.

  Maar neen, gij brengt de chaos weer.

  Ik stort u in de afgrond neer.

3

  Sta op, o God, en richt de aarde,

  Gij geeft aan alles recht en waarde;

  wat zich verheft als god en heer,

  bestraf het en breng vrede weer.

  Van U zijn immers alle volken,

  breek met uw lichtglans door de wolken

  en straal voor ons in majesteit,

  Gij Zon van de Gerechtigheid!

---

*83

#6

1

  Zwijg niet, o God, verhef uw woord,

  laat niet de vijand ongestoord

  uw erfdeel en uw naam vervloeken.

  Zult Gij niet met uw toorn bezoeken

  uw haters, die zich hoog verheffen,

  om hen met smaad en daad te treffen?

2

  De lagen, voor uw volk gelegd,

  ze zijn een aanslag op het recht,

  men staat uw natie naar het leven.

  O Heer, zult Gij hen niet begeven!

  Men wil uw volk ten dode doemen,

  niemand mag zelfs zijn naam meer noemen.

3

  Al wat zich tot geweld verbindt

  is opgestaan om eensgezind

  uw naam, Heer, uit het land te weren.

  De knechten en de grote heren

  hebben met haat uw volk omgeven,

  hoewel zij van uw goedheid leven.

4

  Sla hen terneer als in de tijd

  dat Gideon uittoog ten strijd,

  toen vorsten talloos U bestreden,

  want in de woonplaats van uw vrede

  wil men de oorlogsfakkel zwaaien.

  Heer, laat hun haan geen koning kraaien.

5

  Maak hen, mijn God, als waaiend kaf

  en schroei hen van de hoogten af!

  Laat vuur en wind hen achtervolgen.

  Sla hen, o Heer, zozeer verbolgen

  dat zij, door uw tempeest geslagen,

  in 't stof vernederd naar U vragen.

6

  Ja, laten zij van stonde aan

  met heel hun macht te gronde gaan,

  opdat zij eens voor altijd weten

  dat Gij in hoogheid zijt gezeten,

  en dat Gij, Allerhoogste, Here,

  regeert en eeuwig zult regeren.

 ---

*84

#6

1

  Hoe lieflijk, hoe goed is mij, Heer,

  het huis waar Gij uw naam en eer

  hebt laten wonen bij de mensen.

  Hoe brand ik van verlangen om

  te komen in uw heiligdom.

  Wat zou mijn hart nog liever wensen

  dan dat het juichend U ontmoet

  die leven zijt en leven doet.

2

  Het heil dat uw altaar omgeeft

  beschermt en koestert al wat leeft.

  De mus, de zwaluw vindt een woning.

  Haar jongen zijn in veiligheid.

  Mij is een schuilplaats toebereid

  in het paleis van U, mijn Koning.

  Heil hen die toeven aan uw hof

  en steeds zich wijden aan uw lof.

3

  Welzalig die uit uw kracht leeft,

  die naar uw tempel zich begeeft,

  zijn hart wijst hem de rechte wegen.

  Zij trekken op van overal

  en, gaat het door het dorre dal,

  dan valt op hen een milde regen.

  Ja, in het hart van de woestijn

  ontspringt een heldere fontein.

4

  Van kracht tot kracht gaan zij steeds voort.

  Hun lied weerklinkt van oord tot oord,

  tot zij Jeruzalem betreden,

  waar alle pelgrims binnengaan

  om voor Gods aangezicht te staan.

  Aanvaard, o Heer, ook mijn gebeden.

  Verhoor mij, God van Isra‰l,

  die alles leidt naar uw bestel.

5

  O Here, ons schild van omhoog,

  zie neder met een gunstig oog

  op uw gezalfde in uw tempel.

  Een dag in uw paleis is meer

  dan duizend elders. Ik verkeer

  veel liever need'rig aan uw drempel

  dan dat ik aanzit, hooggeacht

  waar men den Here God veracht.

6

  Want God onze Heer die ons mild

  bestraalt als zon, beschermt als schild,

  zal in genade ons verhogen.

  Zijn hand onthoudt het goede niet

  aan wie oprecht Hem hulde biedt

  en eerlijk wandelt voor zijn ogen.

  Heer, die het al in handen houdt,

  welzalig die op U vertrouwt.

---

*85

#4

1

  Gij waart goedgunstig voor uw land, o Heer,

  in Jakobs harde lot bracht Gij een keer.

  De schuld uws volks wilt Gij niet gadeslaan.

  Gij hebt hun zonden uit uw boek gedaan.

  Gij die de vlammen van uw toorn bezweert,

  Gij hebt U van uw gramschap afgekeerd.

  God van ons heil, herstel ons, neem ons aan

  en doe uw toorn niet over ons bestaan.

2

  Of blijft uw wrevel tegen ons gericht,

  verbergt Gij steeds uw god'lijk aangezicht?

  Voert Gij uw volk dan nooit tot leven weer

  opdat het zich in U verblijde, Heer?

  Toon ons uw heil en goedertierenheid;

  ik ben o God tot luisteren bereid.

  Gij zijt het die uw volk van vrede spreekt,

  tenzij het dwaas is en de trouw verbreekt.

3

  Bij wie Hem vrezen is zijn heil geplant.

  Zijn heerlijkheid zal wonen in dit land,

  het heilig land waar goedheid trouw ontmoet,

  het recht de vrede met een kus begroet;

  de trouw die uit de aarde opwaarts schiet,

  het recht dat uit de hemel nederziet.

  De velden deelt Hij van zijn overvloed,

  de Here die ons zegent met zijn goed.

4

  Waar Hij ook gaat, de vrede gaat Hem voor,

  liefde en trouw ontspruiten in zijn spoor.

  Gerechtigheid is voor zijn aangezicht,

  zij bloeit alom waar Hij zijn voetstap richt.

---

*86

#7

1

  Hoor mij, Heer, wil antwoord zenden,

  zie mijn bittere ellende.

  Hoed mijn leven, U gewijd,

  stel uw knecht in veiligheid.

  Heer mijn God, wees mij genadig,

  want ik roep tot U gestadig.

  Stel mij in het blijde licht,

  want ik zoek uw aangezicht.

2

  Ja tot U hef ik mijn leven,

  Gij zijt mild om te vergeven,

  rijk in goedertierenheid

  voor een hart dat tot U schreit.

  Heer, neem mijn gebed ter ore,

  wil mijn luide smeken horen.

  In het bitterste getij

  roep ik en Gij antwoordt mij.

3

  Allen die als goden blonken

  zijn bij U in 't niet gezonken.

  Niets kan bij uw werk bestaan.

  Heel de wereld roept U aan.

  Alle volken komen samen,

  die Gij schept en roept bij name,

  buigen voor uw zetel neer,

  brengen uwen naam de eer.

4

  Leer mij naar uw wil te hand'len,

  laat mij in uw waarheid wand'len.

  Voeg geheel mijn hart tezaam

  tot de vrees van uwen naam.

  Heer mijn God, ik zal U loven,

  heffen 't ganse hart naar boven.

  Ja, uw naam en majesteit

  loof ik tot in eeuwigheid.

5

  Gij zijt groot en zeer verheven,

  Gij doet wondren aan ons leven.

  Gij zijt God, ja Gij alleen,

  goedertieren om ons heen.

  Heer, Gij hebt mij aangenomen,

  mij weer tot het licht doen komen

  uit de diepten van de dood.

  Ja, uw goedheid is zeer groot.

6

  Zie, o God, de trotse bende

  die mijn leven tracht te schenden,

  die in mateloos geweld

  U zich niet voor ogen stelt.

  Kome, Heer, mij uw genade,

  uw barmhartigheid te stade.

  Trouw zijt Gij in wat Gij doet,

  Gij zijt onvoorstelbaar goed.

7

  Laat mij leven voor uw ogen,

  sterk uw knecht door uw vermogen.

  Maak Gijzelf voor hem vrij baan,

  die U dient van jongsaf aan.

  Toon uw hulp mij door een teken,

  dat mijn vijanden verbleken,

  als zij zien dat Gij het zijt,

  die mij troost en mij bevrijdt.

---

*87

#4

1

  Op Sions berg sticht God zijn heil'ge stede.

  Zij heeft zijn hart, Hij houdt er open hof.

  O Godsstad, vrolijk zingen wij uw lof;

  door uwe poort zal ieder binnentreden.

2

  Rahab en Babel zullen u behoren.

  Ja volk na volk buigt eenmaal voor Hem neer

  en ieder land erkent Hem als de Heer.

  O moederstad, uit u is elk geboren!

3

  God zal hen zelf bevestigen en schragen

  en op zijn rol, waar Hij de volken schrijft,

  hen tellen, als in Isra‰l ingelijfd,

  en doen de naam van Sions kind'ren dragen.

4

  Zij zullen saam, de groten met de kleinen,

  dansend de harpen en cymbalen slaan,

  en onder fluitspel in het ronde gaan,

  zingend: "In U zijn al onze fonteinen".

---

*88

#8

1

  Heer, die mijn heil, mijn helper zijt,

  des daags roep ik om mededogen,

  des nachts leg ik mij voor uw ogen.

  Hoor naar mijn stem die tot U schreit.

  Laat mijn gebed voor U verschijnen

  en niet in duisternis verdwijnen.

2

  Want alles keert zich tegen mij.

  Ik zwerf al door de vale streken,

  waar 't leven bijna is geweken.

  Men zegt: "Het is met hem voorbij,

  weldra zal hij ten grave dalen".

  Ik ben een man wiens krachten falen.

3

  Men legt mijn lichaam aanstonds af

  bij de verslagenen, bij allen

  die aan de dood zijn toegevallen

  en naamloos liggen in het graf.

  Voor U, o Heer, zijn zij verleden.

  Zij zijn van uw hand afgesneden.

4

  Gij werpt mij in de afgrond neer,

  in duisternis, in barre vloeden.

  Gij geeft mij over aan het woeden

  van alle elementen, Heer.

  Uw grimmigheid heeft mij bedolven.

  Ik word verbrijzeld door uw golven.

5

  Walging bevangt al wie mij kent.

  Mijn vrienden hebben mij begeven.

  Gij hebt mij in het nauw gedreven,

  uw aangezicht van mij gewend.

  Ik roep U steeds, mijn ogen branden.

  Ik strek tot U mijn beide handen.

6

  Doet Gij aan doden wondren, Heer?

  Staan schimmen op om U te prijzen?

  Vermeldt het graf uw gunstbewijzen?

  Geeft het uw wonderwerken weer?

  Herkent men in dat eindloos duister

  uw trouw, gerechtigheid en luister?

7

  Maar ik, mijn God, ik roep U aan.

  Mijn bede zoekt U ied're morgen.

  Waarom houdt Gij U, Heer, verborgen

  en stoot Gij mij bij U vandaan?

  Van jongsaf metterdood geslagen

  moet ik gekweld uw gramschap dragen.

8

  Uw toorngloed overweldigt mij,

  uw schrikgerichten doen mij beven,

  als water staan zij mij naar 't leven.

  Mijn vrienden gaan aan mij voorbij,

  Gij doet mij al hun troost ontberen

  en met de duisternis verkeren.

---

*89

#18

1

  Ik zal zo lang ik leef bezingen in mijn lied

  des Heren milde gunst, het werk aan ons geschied.

  Mijn mond verkondigt, Heer, aan komende geslachten

  hoe Gij uw trouw betoont aan hen die U verwachten.

  Uw goedertierenheid rijst op en gaat zich welven,

  een altijd veilig huis, vast als de hemel zelve.

2

  Mijn uitverkoren knecht, zo spreekt des Heren mond,

  is David die Mij dient, hem gaf Ik mijn verbond,

  aan hem en aan zijn huis heb Ik mijn eed gezworen,

  voorgoed zal uw geslacht de heerschappij behoren.

  Uw kinderen zal Ik de eeuwen door geleiden,

  Ik schraag uw troon en rijk tot aan het eind der tijden.

3

  Uw macht bezingen, Heer, de engelen in koor.

  Het loflied van uw trouw weerklinkt de hemel door.

  Geen enkel schepsel, Heer, hoe hoog in 't licht gezeten,

  hoe bovenaards in glans, kan met uw macht zich meten.

  Ja Gij zijt zo geducht, dat al de hemelingen

  in eerbied en ontzag uw grote troon omringen.

4

  Wie is van al wat leeft, o God, aan U gelijk?

  Met trouw zijt Gij omgord, grootmachtig is uw rijk.

  De overmoed der zee, haar trots kunt Gij vertreden,

  de golven en de wind brengt uw bevel tot vrede.

  Wat ooit aan vijandschap de kop heeft opgestoken

  is door uw sterke arm geslagen en gebroken.

5

  Hemel en aarde, Heer, 't is alles uw domein,

  o grond van al wat is, wat was en ooit zal zijn.

  Gij die de schepper zijt van 't noorden en het zuiden,

  de Tabor roemt uw naam, de Hermon jubelt luide.

  De wereld is van U, de wind en de getijden,

  al wat Gij hebt gemaakt, zal zich in U verblijden.

6

  Wij loven, Heer, de macht van uw verheven hand,

  uw uitgestrekte arm houdt al uw werk in stand.

  Gij hebt uw troon gegrond op recht en waarheid beide

  als pijlers van uw heil, onwrikbaar door de tijden,

  en als herauten gaan U voor op al uw schreden

  uw goedheid en uw trouw, O Vorst van onze vrede.

7

  Hoe zalig is het volk dat U de lofzang zingt,

  dat uitbreekt in gejuich als de bazuin weerklinkt.

  Uw lichtend aangezicht zal altijd hen geleiden.

  Zij zullen in uw naam zich dag aan dag verblijden,

  zij gaan in vrede voort, zij wand'len voor uw ogen,

  want uw rechtvaardigheid zal hen voorgoed verhogen.

8

  Gij, Here, die de glans van onze sterkte zijt,

  geeft luister aan uw volk, en hoge heerlijkheid.

  Uw welgevallen doet ons grote dingen wagen

  en met geheven hoofd de kroon der ere dragen.

  Gij Heil'ge Isra‰ls, Gij zelf hebt ons ten leven

  een koning naar uw wil, een schild van heil gegeven.

9

  Oudtijds hebt Gij, o Heer, uw hoge plan ontvouwd,

  aan mensen naar uw hart uw woorden toevertrouwd;

  Met hulp heb Ik omkleed, met heil heb Ik omgeven

  de koninklijke held, uit al het volk verheven,

  David mijn trouwe knecht, dien Ik heb uitverkoren,

  dien Ik met olie zalf, hem zal het rijk behoren.

10

  Mijn hand is hem tot steun, mijn rechter arm zijn kracht.

  Geen vijand valt hem aan, Ik weer der bozen macht.

  Ik breek de tegenstand van allen die hem haten,

  mijn goedertierenheid zal nimmer hem verlaten.

  Mijn naam die hij belijdt, doet hem tot aanzien komen,

  zijn hand rust op de zee, zijn kracht beheerst de stromen.

11

  Hij prijst mijn hoge gunst met namen menigvoud;

  Mijn Vader en mijn God, o rots van mijn behoud.

  Ik antwoord hem: Mijn zoon, de vorsten zullen beven,

  mijn eerstgeboren zoon, voor u, zo hoog verheven.

  Voor altijd rust op hem mijn trouw, mijn welbehagen,

  Ik houd het vast verbond, Ik zal zijn zetel schragen.

12

  Ik heb zijn nageslacht het leven toegekend.

  Zijn troon staat even vast als 't glanzend firmament.

  Indien zijn zonen ooit mijn heilig recht ontwijden,

  niet wand'len naar mijn wil, dan zal Ik hen kastijden.

  En toch zal Davids huis mijn liefd' en trouw ervaren,

  Ik houd Mij aan mijn woord, zal mijn verbond bewaren.

13

  Wat Ik gezworen heb aan David, dat houdt stand,

  mijn eigen heiligheid is daarvan onderpand.

  Ik ben de waarheid zelf, zou Ik bedrieglijk zweren?

  Zijn koninklijk geslacht leeft voort en zal regeren.

  Zijn zetel wankelt niet tot aan het eind der tijden,

  zo lang als zon en maan de hemelen doorschrijden.

14

  En toch, en toch hebt Gij verstoten en versmaad

  den koning die Gij zelf gezalfd hebt naar uw raad,

  toch toornt Gij op uw knecht, hij is van U verstoken,

  zijn kroon ligt in het stof, zijn sterkte is gebroken

  Geen wal, geen toren weert de plunderende bende.

  Het nabuurvolk bespot zijn bittere ellende.

15

  Gij geeft zijn vijand vreugd, hij neemt de overhand.

  Gij wendt des konings zwaard, zijn leger houdt geen stand.

  Gij dooft zijn glans die eens zo stralend had geschenen,

  zijn troon is neergestort, zijn heerlijkheid verdwenen.

  Gij hebt zijn jeugd verkort, hem overdekt met schande.

  Ja wat Gij hebt gebouwd, breekt Gij met eigen handen.

16

  Hoelang, hoelang nog, Heer? Verbergt Gij U altijd?

  Hoelang nog laait het vuur van uw verbolgenheid?

  Zie hoe vergankelijk, hoe nietig is het leven

  dat Gij het mensenkind, uw schepsel, hebt gegeven.

  Wie op de aarde zal de bitt're dood niet proeven,

  en welke sterveling ontkomt er aan de groeve?

17

  O laat ons, Here God, niet vallen uit uw hand.

  Doe ook voor ons geslacht uw oude woord gestand.

  Waar is uw gunst, o God, het heil van lang geleden,

  aan Davids huis verpand met goddelijke eden?

  Erbarm U over ons, wil onze smaad gedenken,

  de hoon waarmee ons thans de grote volken krenken.

18

  Uw vijanden, o Heer, uw vijanden rondom,

  hoe honen zij uw knecht, o God van David, kom!

  Het spoor is uitgewist van uw gezalfde koning.

  Herstel in heerlijkheid het land van melk en honing.

  Laat Davids zoon de spot der heidenen beschamen.

  Geloofd zij God de Heer voor eeuwig. Amen, amen.

---

*90

#8

1

  Gij zijt geweest, o Heer, en Gij zult wezen

  de zekerheid van allen die U vrezen.

  Geslachten gaan, geslachten zullen komen:

  wij zijn in uw ontferming opgenomen.

  Wij mogen bouwen op de vaste grond

  van uw beloften en van uw verbond.

2

  Nog eer de bergen uit de baaierd stegen,

  de aarde en de zee gestalte kregen,

  nog eer uw scheppend woord aan alle leven

  een wereld om te wonen heeft gegeven,

  God, zijt Gij God, dezelfde die Gij zijt,

  van eeuwigheid en tot in eeuwigheid.

3

  O Here God, Gij wendt het mensenleven

  om het weer aan het stof terug te geven.

  Gij zegt: Keer weder, mensenkind, keer weder.

  Want duizend jaren, Gij ziet op ze neder

  als op een nachtwaak, zij zijn in uw oog

  gelijk de dag van gist'ren die vervloog.

4

  Gij overspoelt de sterv'ling met uw stromen.

  De jaren snellen ons voorbij als dromen.

  Wij zijn als gras, fris in het ochtendgloren,

  des avonds dor en alle glans verloren.

  Uw toorn, rechtvaardig God, doet ons vergaan.

  Uw gramschap overweldigt ons bestaan.

5

  Heer, onze daden en hun loze gronden

  zijn voor uw aanschijn niets dan schuld en zonde.

  Al wat wij heim'lijk in ons hart omdragen

  doorlicht uw heiligheid- en wij versagen,

  want uw gerechte toorn verslindt de tijd,

  zodat ons leven als een zucht verglijdt.

6

  Zeventig, tachtig jaren mensenleven,

  is dat, o Heer, om hoog van op te geven?

  't Is moeite en verdriet. Och mocht het wezen

  dat wij U kenden naar Gij zijt te vrezen.

  Leer Gij ons zo te leven, dag voor dag,

  dat in ons hart de wijsheid wonen mag.

7

  Wend U tot ons, keer tot ons weder, Here,

  hoe lang nog zult Gij uw gelaat afkeren?

  Schenk ons het morgenrood van uw genade,

  dan prijzen wij voortaan uw grote daden.

  Vergun uw volk, na jarenlange druk,

  nu vele jaren zorgeloos geluk.

8

  Laat, Heer, uw volk uw daden zien en leven

  en laat uw glans hun kinderen omgeven.

  Zie op ons neer met vriendelijke ogen.

  O God, bescherm ons in ons onvermogen.

  Bevestig wat de hand heeft opgevat,

  het werk van onze hand, bevestig dat.

---

*91

#8

1

  Heil hem wien God een plaats bereidt

  in zijn verheven woning;

  hij overnacht in veiligheid

  bij een almachtig koning.

  Ik zeg tot God; Gij zijt mijn schild,

  mijn toevlucht en mijn veste,

  op U vertrouw ik, Heer, Gij wilt

  voor mij altijd het beste.

2

  God redt uw ziel van nood en dood,

  Hij heeft u aangenomen;

  een vogel, die ternauwernood

  is aan de strik ontkomen.

  De Heer zal over uw bestaan

  zijn sterke vleugels breiden.

  Hij is, in trouw u toegedaan,

  uw schild en pantser beide.

3

  Wees niet bevreesd, al wil de nacht

  zich tegen u verheffen;

  al stelt de dag zijn overmacht,

  zijn pijl zal u niet treffen.

  't Verderf dat in de duisternis

  zoekt naar uw legerstede,

  de vloek die van de middag is,-

  God bant ze van uw leden.

4

  Al vallen duizenden in 't rond

  door ongeziene handen,

  de Heer wil niet dat het u wondt,

  dat het u aan zal randen.

  Van verre zien uw ogen aan

  Gods toornend nedervaren.

  Zo doet de Here ondergaan

  al wie Hem ontrouw waren.

5

  Maar gij moogt schuilen bij den Heer,

  geen kwaad bedreigt uw woning;

  gij hebt tot schild en tegenweer

  den allerhoogsten Koning.

  Hij gaf zijn engelen bevel

  dat u geen ding zou schaden;

  zij zullen u naar Gods bestel

  behoeden op uw paden.

6

  Ja, zij zijn om u als een wacht,

  zij dragen u op handen;

  lichtvoetig, in des Heren kracht,

  zo gaat gij door de landen.

  Uw voet bezeert zich aan geen steen,

  de leeuw ontwijkt uw schreden,

  de slang krimpt voor uw voet ineen,

  gij zult de draak vertreden.

7

  Omdat hij Mij zijn hart toewendt,

  spreekt God, zal Ik hem leiden;

  omdat hij Mij bij name kent,

  hem dekken en bevrijden.

  Roept hij Mij aan, dan antwoord Ik,

  is hij in angst en vreze,

  dan kom Ik nog dat ogenblik

  om hem nabij te wezen.

8

  Ik zal hem redden uit de nood,

  spreekt God, en hem verhogen;

  dat hij Mij toebehoort, zal groot

  verschijnen voor elks ogen.

  Ik zal hem 't leven, tot zijn vreugd,

  verlengen, lange jaren,

  en 't heil dat eindeloos verheugt

  in volheid openbaren.

---

*92

#8

1

  Waarlijk, dit is rechtvaardig

  dat men den Here prijst,

  dat men Hem eer bewijst:

  zijn naam is eerbied waardig.

  Wij loven in de morgen

  uw goedertierenheid,

  ook als de nacht zich spreidt

  houdt ons uw hand geborgen.

2

  Gezegend zal Hij wezen

  die ons bij name riep,

  die zelf de adem schiep

  waarmee Hij wordt geprezen;

  laat alom musiceren,

  met stem en instrument,

  maak wijd en zijd bekend

  de grote naam des Heren.

3

  Gij hebt mij door uw daden,

  o Here God, verheugd.

  Mijn hart is vol van vreugd,

  ik juich om uw genade.

  Hoe groot zijn uwe werken,

  de werken uwer hand,

  Gij houdt het volk in stand.

  Gij zult hun hart versterken.

4

  Hoe diep zijn uw gedachten!

  Geen dwaas die dat verstaat:

  als onkruid groeit het kwaad;

  hoe lang zult Gij nog wachten?

  Zie toch, aan alle zijden

  plant zich het onrecht voort

  het bloeit haast ongestoord,

  niemand komt tussenbeide

5

  Maar Gij, de Allerhoogste

  zolang de wereld is-

  werkers der duisternis

  zult Gij de dood doen oogsten.

  Uw tegenstanders, Here,

  zullen als kaf vergaan;

  ten oordeel opgestaan

  zult Gij de vijand keren.

6

  Gij zult de eer verhogen

  van wie vernederd wordt,

  uw kracht is uitgestort,

  uw licht verlicht de ogen.

  Mijn ziel zal zich verblijden;

  daar ligt terneergeveld

  al wie zich met geweld

  vergreep aan Gods bevrijden.

7

  Zoals de cederbomen

  hoog op de Libanon,

  staan bij de levensbron

  de nederige vromen.

  Die in Gods huis geplant zijn,

  zij bloeien in Gods licht

  als palmen opgericht.

  Hun lot zal in zijn hand zijn.

8

  Zij zullen vruchten dragen

  voor 's Heren heiligdom

  tot in hun ouderdom,

  tot in hun grijze dagen.

  Welsprekend is hun leven;

  God is hun heil, hun rots!

  Ik loof de daden Gods,

  zijn recht is hoog verheven.

---

*93

#4

1

  De Heer is Koning, Hij regeert altijd,

  omgord met macht, bekleed met majesteit.

  Hij grondvest d' aarde, houdt haar vast in stand.

  Onwrikbaar staat het bouwwerk van zijn hand.

2

  Uw troon staat van de aanvang af gesteld

  op vaste pijlers in het oergeweld.

  Rivieren slaan, rivieren slaan, o Heer,

  het water stijgt, het water stijgt steeds meer.

3

  Geweldiger dan water en dan wind

  is in de hoogte God die overwint.

  Geweldig is de Here die zijn voet

  plant op de nek van deze watervloed.

4

  Uw macht is groot, uw trouw zal nooit vergaan,

  al wat Gij ooit beloofd hebt, blijft bestaan.

  Tot sieraad is uw hoge heiligheid

  en in die glans trotseert uw huis de tijd.

---

*94

#11

1

  Verschijn in lichtglans, God der wrake!

  Verhef U, dat uw toorn ontwake

  over de rotsen en hun waan!

  Wraak over hen die U weerstaan!

  Gij Rechter, die de wereld richt,

  toon hun uw toornend aangezicht.

2

  Hoe lang nog zullen, Heer, de bozen,

  hoe lang nog zullen goddelozen

  zich vrolijk maken hier op aard?

  Hoor toch, zij voeren onvervaard

  het hoogste woord, zij pochen luid,

  zij slaan de grootste laster uit.

3

  Zie, Heer, hoe zij uw volk verdrukken,

  uw erfdeel haast aan U ontrukken.

  Zij slaan aan vreemden in uw land,

  aan wees en weduwe de hand.

  "God ziet het niet", zo klinkt hun spot,

  "Hij merkt het toch niet , Jakobs God".

4

  Wordt eind'lijk wijs! Wanneer, o dwazen,

  staakt gij dit redeloze razen?

  Wat denkt ge toch; zou Hij die 't oor

  geplant heeft, missen het gehoor?

  Zou Hij, die 't oog schiep, zelf misschien

  een blinde zijn, niet kunnen zien?

5

  Wie zal toch inzicht u verschaffen;

  God, die zijn wet gaf, zou niet straffen?

  God, die de mens zijn wegen leert,

  zou dulden dat men Hem niet eert?

  Hij kent het hart, Hij weet hoe klein

  en ijdel 's mensen plannen zijn.

6

  Gezegend is de mens, o Here,

  dien Gij kastijdt, dien Gij wilt leren.

  Bij U is hem het heil gewis,

  wanneer de onheilsdag daar is.

  Maar ieder die uw weg veracht

  valt in de kuil, - hem wordt het nacht.

7

  De Here zal zijn volk doen leven,

  Hij zal zijn erfdeel nooit begeven.

  De rechtspraak zal in heel het land

  weer in de waarheid zijn geplant,

  en ieder die de waarheid eert,

  bemint het recht dat God ons leert.

8

  Wie treedt voor mij de boze tegen,

  wie wederstaat die onrecht plegen,

  wie is mijn burcht, wie is mijn schild?

  Als Gij, Heer, mij niet helpen wilt,

  dan daal ik in de stilte af,

  diep in de kilte van het graf.

9

  Maar stortte ik soms bijna neder,

  dan steunde Gij mij sterk en teder;

  ik viel niet, want Gij hieldt mij vast.

  Als in mijn hart de twijfel wast,

  dan zijt Gij, Heer, mij zeer nabij

  en met uw troost verkwikt Gij mij.

10

  Kan in de schaduw van uw zetel

  de stoel van hem staan, die vermetel

  kwelt wie naar uwe wetten leeft,

  onrecht voor 't hoogste recht uitgeeft,

  als hij onschuldig lijden doet,

  beschuldigend onschuldig bloed?

11

  Maar God is mij een sterke veste,

  Hij wendt het onrecht mij ten beste;

  't komt op hun eigen hoofden neer.

  Hij is mijn sterke tegenweer.

  Ja, onze God en toeverlaat

  verdelgt hen in hun eigen kwaad.

---

*95

#5

1

  Steekt nu voor God de loftrompet,

  Hem die ons in de vrijheid zet.

  Komt voor zijn aanschijn met verblijden.

  Brengt Hem de dank van al wat leeft,

  Hem, die ons heil gegrondvest heeft.

  Viert Hem, de koning der getijden.

2

  Groot God is Hij, Hij strijdt vooraan,

  de goden zijn Hem onderdaan;

  de hoge bergen houdt Hij staande.

  Het hart der aard' is in zijn hand.

  Hij riep de zee, Hij schiep het land.

  Hij is het, die de weg ons baande.

3

  Komt, werpen wij ons voor den Heer

  die ons gemaakt heeft biddend neer,

  wij, die het volk zijn van zijn weide.

  Want onze God, Hij gaat ons voor,

  Hij trekt met ons de diepte door.

  Zijn hand zal ons als schapen leiden.

4

  Nog heden, hoort zijn stem die zweert;

  Laat niet uw hart zich onbekeerd

  verharden, als in Mozes' dagen.

  Toen hebben tegen Mij getwist,

  mijn goedheid acht'loos uitgewist

  uw vaadren die mijn werken zagen.

5

  Ik heb reeds lang aan dit geslacht

  met toorn en tegenzin gedacht:

  dit volk, het luistert naar geen rede.

  Hun wegen hebben zij verward;

  wie dwalen blijft, ver van mijn hart,

  zal nimmer komen tot mijn vrede.

---

*96

#7

1

  Zingt voor den Heer op nieuwe wijze,

  zing aarde, zing zijn naam ten prijze,

  boodschap zijn heil van dag tot dag,

  wek bij de volken diep ontzag

  voor 't wonder van zijn gunstbewijzen.

2

  God gaat de goden ver te boven,

  die ijd'le waan die heid'nen loven.

  Hij heeft de hemelen gesticht,

  van luister is zijn aanschijn licht.

  Zijn kracht vervult de heil'ge hoven.

3

  Geeft aan den Heer, alle geslachten,

  geeft aan den Here lof en krachten.

  Gij volken, roemt zijn grote naam,

  komt in zijn heiligdom tezaam,

  looft Hem, den Heer der hemelmachten.

4

  Brengt aan den Heer met reine handen,

  brengt aan den Here offeranden,

  buigt u in heil'ge feestdos neer,

  erkent Hem als den enen Heer,

  beeft voor Hem, volken aller landen.

5

  Zegt tot de volken; Hij aanvaardde

  de heerschappij. Zo staat de aarde

  voor altijd zonder wankeling.

  Hij richt der volken rechtsgeding,

  Hij, die het recht ons openbaarde.

6

  In 't lied dat klinkt als Hij zal komen

  zijn aard' en hemel opgenomen,

  de zee herhaalt het duizendvoud

  en door de stilte van het woud

  weerklinkt het loflied van de bomen.

7

  Zo zal zijn koninkrijk beginnen.

  De Rechter rijdt de wereld binnen,

  Hij richt de aarde naar zijn recht,

  het pleit der volken wordt beslecht.

  Zijn trouw en waarheid overwinnen.

---

*97

#6

1

  Groot Koning is de Heer.

  Volken, bewijst Hem eer,

  breek uit in jubel, aarde,

  nu Hij de macht aanvaardde.

  De landen wijd en zijd

  zijn in zijn naam verblijd.

  Op recht en op gericht

  heeft Hij zijn troon gesticht.

  in de verborgenheid.

2

  Een vuur, een laaiend licht

  gaat voor zijn aangezicht,

  het schroeit die Hem genaken,

  verzengt die aan Hem raken.

  Als Hij zijn bliksem slaat,

  beeft alles wat bestaat;

  wat hoog verheven was,

  't gebergte brandt tot as

  voor zijn vertoornd gelaat.

3

  De hemel, Heer, verbreidt

  alom uw majesteit,

  uw glorie komt getogen

  voor aller volken ogen.

  Hen, die zich wendden tot

  een beeld, een leugengod,

  hebt Gij beschaamd, o Heer;

  gij goden, buigt u neer:

  Hij heeft uw macht geknot.

4

  God trad voor ons in 't krijt.

  Uw volk, Heer, is verblijd.

  Hoor, Sions dochters zingen

  van uwe rechtsgedingen.

  O Koning van 't heelal,

  die eeuwig heersen zal,

  hoog boven godenmacht

  verheft Gij U en lacht.

  Wij juichen om hun val.

5

  Gij die God liefhebt, haat

  hetgeen Hem tegenstaat.

  Hij heeft zijn hart ontsloten

  voor al zijn gunstgenoten.

  Hij redt u uit de hand

  van die u overmant;

  uw leven is bewaard

  bij Hem die heerst op aard;

  de Heer strijdt aan uw kant.

6

  Gods heil, Gods glorie staat

  licht als de dageraad

  reeds voor het oog te gloren

  van wie Hem toebehoren.

  En vreugde van de Heer

  stroomt in hun harten neer.

  Gij die rechtvaardig zijt,

  weest in de Heer verblijd.

  Zijn naam zij lof en eer!

---

*98

#4

1

  Zingt een nieuw lied voor God den Here,

  want Hij bracht wonderen tot stand.

  Wij zien Hem heerlijk triomferen

  met opgeheven rechterhand.

  Zingt voor den Heer, Hij openbaarde

  bevrijdend heil en bindend recht

  voor alle volkeren op aarde.

  Hij doet zoals Hij heeft gezegd.

2

  Ja Hij is ons getrouw gebleven,

  Hij heeft in goedertierenheid,

  naar de belofte eens gegeven,

  het huis van Isra‰l bevrijd.

  Zijn volk is veilig in zijn handen.

  Hij heeft zijn heerlijkheid ontvouwd.

  Zo werd tot in de verste landen

  het heil van onze God aanschouwd.

3

  Laat heel de aard' een loflied wezen,

  de psalmen gaan van mond tot mond.

  De naam des Heren wordt geprezen,

  lofzangen gaan de wereld rond.

  Hosanna voor de grote Koning,

  verhef, bazuin, uw stem van goud,

  de Heer heeft onder ons zijn woning,

  de Heer die bij ons intocht houdt.

4

  Laat alle zee‰n, alle landen

  Hem prijzen met een blij geluid.

  Rivieren klappen in de handen,

  de bergen jubelen het uit.

  Hij komt, Hij komt de aarde richten,

  Hij komt, o volken weest verblijd,

  Hij komt zijn koninkrijk hier stichten,

  zijn heil en zijn gerechtigheid.

---

*99

#8

1

  God is Koning, Hij

  sticht zijn heerschappij.

  Volken, hoort zijn stem.

  Buigt u, beeft voor Hem,

  die met macht gekroond

  op de cherubs troont.

  Aarde, word bewogen,

  beef voor zijn vermogen.

2

  God, die recht gebood,

  is in Sion groot;

  van zijn troon belacht

  Hij der volken macht.

  Hoog en zeer geducht,

  heilig en doorlucht

  is uw naam, o Here;

  laten zij die eren!

3

  Niet op bruut geweld

  hebt G' uw macht gesteld.

  Gij o Koning, zegt;

  Ik bemin het recht.

  Onder uw beleid

  heerst gerechtigheid;

  uw verbond heeft leven

  aan uw volk gegeven.

4

  Maakt Hem altezaam

  groot, verheft zijn naam.

  Buigt u voor Hem neer,

  knielt voor Isra‰ls Heer.

  Aan zijn voeten reik

  Hem uw huldeblijk.

  Heilig, hoog in ere

  is de Heer der heren.

5

  Mozes trad in 't licht

  voor zijn aangezicht

  met A„ron saam, -

  priesters in Gods naam.

  Ook verhief tot Hem

  Samu‰l zijn stem.

  Waar Hij werd aanbeden

  schonk de heer zijn vrede.

6

  In een dicht wolk

  sprak Hij tot zijn volk.

  Wat Hij metterdaad

  openbaarde, staat

  in hun hart gegrift

  als zijn heilig schrift.

  't Woord, door God gegeven,

  is voor hen het leven.

7

  Here onze God,

  bitter was hun lot.

  Gij hebt hen verhoord,

  ja Gij gaaft uw woord.

  Uw vergiffenis

  was voor hen gewis.

  Gij zijt vol genade,

  ook al wreekt Gij 't kwade.

8

  Maakt Hem nu tezaam

  groot, verheft zijn naam.

  Buigt u voor Hem neer,

  Hij is onze Heer,

  die met macht gekroond

  op de Sion troont.

  Houdt Hem hoog in ere!

  Heilig is de Here.

---

*100

#4

1

  Juicht Gode toe, bazuint en zingt.

  Treedt nader tot gij Hem omringt,

  gij aard' alom, zijn rijksdomein,

  zult voor den HEER dienstvaardig zijn.

2

  Roept uit met blijdschap: "God is Hij.

  Hij schiep ons, Hem behoren wij,

  zijn volk, de schapen die Hij hoedt

  en als beminden weidt en voedt."

3

  Treedt statig binnen door de poort,

  Hier staat zijn troon, hier woont zijn Woord.

  Heft hier voor God uw lofzang aan:

  Gebenedijd zijn grote naam.

4

  Want God is overstelpend goed,

  die ons in vrede wonen doet.

  Zijn goedheid is als morgendauw:

  elk nieuw geslacht ervaart zijn trouw.

---

*101

#6

1

  Ik wil, Heer, in mijn lied de zegeningen

  van goedheid en gerechtigheid bezingen.

  Aan U, Heer, wijd ik nu en levenslang

  mijn psalmgezang.

2

  Ik let op reine harten, rechte daden,

  Heer, wanneer komt Gij tot mij in genade?

  Dan leef ik met de mijnen voor altijd

  in zuiverheid.

3

  Onrecht en schande, afval van den Here,

  ik haat het, ja ik zal het van mij weren.

  Ik wil niet kennen wie zijn boze hart

  in 't kwaad verwart.

4

  Verdelgen zal ik uit het land de kwaden,

  die heimelijk hun naasten durven smaden,

  in wier verharde hart de trots gebiedt,

  ik duld hen niet.

5

  Al wie zich rein van hart en handen tonen,

  zullen mij dienen, mogen bij mij wonen,

  terwijl ik toornig de bedriegers wijs

  uit mijn paleis.

6

  Geen goddelozen zijn voor mij verborgen.

  Ik zetel ten gerichte elke morgen.

  Ik delg de bozen uit, dat Sion zij

  van onrecht vrij.

---

*102

#13

1

  Heer, hoor mijn gebed, laat blijken

  dat mijn klachten U bereiken.

  Hul U niet in duisternis

  nu 't mij bang te moede is.

  Luister, luister naar mijn klagen,

  want ik roep U alle dagen.

  Hoor mij, Heer, wil antwoord geven,

  help mij haastig, red mijn leven.

2

  Zie mijn leven, Heer, verkwijnen

  en als ijle rook verdwijnen.

  Wat een felle vuurhaard was

  smeult en sterft, wordt koude as.

  Zie als gras, in 't felle gloeien

  van de zon, mijn hart verschroeien.

  Uitgeteerd, alleen gelaten,

  klaag ik, vast ik, niets kan baten.

3

  Als een vogel, die in steppen

  zich wanhopig voort moet reppen,

  als een witte pelikaan,

  ver van alle hulp vandaan,

  als een uil in 't puin verborgen,

  wacht ik angstig op de morgen.

  Eenzaam moet mijn hart hier waken

  als een vogel op de daken.

  

4

  Hoor mijn vijanden mij smaden,

  mij met spot en hoon beladen.

  Daag'lijks schenden zij mijn naam,

  maken hem tot vloek en blaam.

  As is 't brood dat ik moet eten,

  tranen drink ik. 'k Ben vergeten

  en verlaten alle dagen,

  daar uw hand mij heeft geslagen.

5

  Ja, uw hand vernielt mijn leven,

  heeft mij in de lucht geheven,

  neergesmeten met geweld.

  Ach, mijn dagen zijn geteld.

  'k Zie ze als een schaduw lengen,

  met het duister zich vermengen.

  Zoals gras in hete steppen

  voel 'k mijn levenskracht verleppen.

6

  Gij, Heer, troont te allen tijde,

  steeds zal men uw naam belijden

  van geslachte tot geslacht.

  Gij zult opstaan in uw kracht.

  Gij zult ons verlossing schenken,

  Sion eindelijk gedenken.

  Tijd is 't voor uw grote daden,

  eind'lijk tijd voor uw genade.

7

  Slaan w' op Sions puin de ogen,

  o, hoe is ons hart bewogen,

  hunkert het naar het herstel

  op uw goddelijk bevel,

  opdat alle volken spreken;

  "God is niet van hen geweken,

  God heeft Sion doen herbouwen,

  doet zijn glorie haar aanschouwen".

8

  Ja, God wendt zich tot het klagen

  van wie Hem om bijstand vragen,

  heeft hun bidden niet veracht.

  Zegt het aan het nageslacht.

  Laat het worden opgeschreven,

  zodat zij, die later leven,

  lezen van zijn gunstbewijzen

  en de eeuwen door Hem prijzen.

9

  Uit den hemel hoog verheven

  ziet Hij neer op 't aardse leven.

  Uit Zijn heiligdom omhoog

  slaat Hij op zijn knechten 't oog.

  Hij zal komen, de Geduchte;

  hun die in de kerkers zuchten,

  met de dood voor ogen leven,

  Hij zal hun de vrijheid geven.

10

  Ja, de Heer komt ter bevrijding,

  opdat Sion blij de tijding

  van zijn grote daden meldt

  en Jeruzalem vertelt,

  hoe verlosten huiswaarts keren

  roemend in de naam des Heren.

  Alle volken, alle rijken

  brengen Hem hun huldeblijken.

11

  Argeloos ging ik mijn wegen.

  Plotseling kwam God mij tegen,

  greep mij aan en brak mijn kracht.

  Nu richt ik tot Hem mijn klacht;

  laat niet midden in het leven

  mij de duisternis omgeven,

  Gij, die eeuwen telt als uren,

  laat mij een geslacht lang duren.

12

  In de aanvang van de tijden

  hebt Gij aard' en hemel beide

  opgeroepen door uw woord.

  Zij vergaan, maar Gij leeft voort.

  Al uw werken lijden schade,

  Gij verwisselt z' als gewaden,

  Gij, de Koning der getijden,

  legt ze achteloos ter zijde.

13

  Gij, dezelfde, gist'ren, heden,

  zult de toekomst tegentreden,

  zult dezelfde zijn altijd,

  eindeloos in majesteit.

  Zo zult Gij uw trouw betonen,

  ja, uw volk zal veilig wonen.

  En de komende geslachten

  zal altoos uw vrede wachten.

---

*103

#9

1

  Zegen, mijn ziel, de grote naam des Heren,

  laat al wat binnen in mij is Hem eren,

  vergeet niet hoe zijn liefde u heeft geleid,

  gedenk zijn goedheid, die u wil vergeven,

  die u geneest, die uit het graf uw leven

  verlost en kroont met goedertierenheid.

2

  Loof Hem, die zo met gaven u verzadigt,

  dat uw bestaan, met glorie begenadigd,

  gelijk een arend nieuw bevleugeld wordt.

  Het volk in druk heeft van Hem recht verkregen,

  Hij heeft aan Mozes eens getoond zijn wegen,

  op Isra‰l zijn zegen uitgestort.

3

  Hij is een God van liefde en genade,

  barmhartigheid en goedheid zijn de daden

  van Hem die niet voor altijd met ons twist,

  die ons niet doet naar alles wat wij deden,

  ons niet naar onze ongerechtigheden

  vergeldt, maar onze schuld heeft uitgewist.

4

  Zo hoog en wijd de hemel staat gerezen

  boven de aarde, is voor wie Hem vrezen

  zijn liefde en zijn goedertierenheid.

  Zo ver verwijderd 't westen is van 't oosten,

  zo ver doet Hij van hen die Hij wil troosten

  de zonden weg, ja Hij heeft ons bevrijd.

5

  Zoals een vader liefdevol zijn armen

  slaat om zijn kind, omringt ons met erbarmen

  God onze Vader, want wij zijn van Hem.

  Hij die ons zelf uit aarde heeft genomen,

  Hij weet, dat wij, uit stof aan 't licht gekomen,

  slechts leven op de adem van zijn stem.

6

  De mens is aan het sterven prijs gegeven,

  gelijk het gras kortstondig is zijn leven,

  en als een bloem die naar de zon zich keert,

  maar die ten prooi valt aan de barre winden,

  en knakt en sterft, en is niet meer te vinden.

  Ja zelfs haar eigen plaats kent haar niet meer.

7

  Maar 's Heren gunst zal over die Hem vrezen

  in eeuwigheid altoos dezelfde wezen,

  en zijn gerechtigheid de eeuwen door.

  Zijn heil omsluit de komende geslachten;

  zo volgen zij die zijn verbond betrachten,

  van zijn barmhartigheid het lichtend spoor.

8

  Hij heeft de hemel tot zijn troon verheven,

  Hij heerst als koning over al het leven.

  Looft engelen, zijn hoge majesteit,

  krachtige helden, die aan alle oorden

  als boden meldt zijn goddelijke woorden,

  Hem zij uw dienst, Hem zij uw lied gewijd.

9

  Laat heel het machtig koninkrijk des Heren

  zijn grote naam, zijn grote daden eren.

  Komt allen tot de lof des Heren saam.

  Lof zij den Heer in hemel en op aarde,

  die aan zijn volk zijn liefde openbaarde,

  en zegen gij, mijn ziel, zijn grote naam.

---

*104

#10

1

  Mijn ziel, verheerlijk God om zijne macht.

  Bekleed is Hij met majesteit en pracht,

  het licht heeft Hij als mantel omgeslagen,

  Hij maakt de wolken tot zijn zegewagen.

  Hij die de hemel uitspant als een tent,

  Hij bouwt zijn zalen in het firmament.

  Op vleugels van de wind schrijdt Hij verheven,

  storm zendt Hij uit, door vuur wordt Hij omgeven.

2

  Gij grondvest het heelal, houdt het in stand,

  onwrikbaar staat het bouwwerk van uw hand.

  Gij deedt de vloed over de aarde golven

  en hoge bergen werden diep bedolven.

  Uw donder joeg het water op de vlucht,

  het dal viel droog, de rots rees in de lucht.

  De afgrond moest zich op uw woord betomen,

  uw vloed zal d' aarde nooit meer overstromen.

3

  Uw bronnen zenden beken in het dal,

  zij storten neer als steile waterval,

  verbreden zich tot rustige rivieren.

  Van alle kant verzaam'len zich de dieren.

  Zij komen langzaam nader uit het bos,

  woudezels stappen op het zachte mos

  het water tegemoet om er te drinken.

  Vogels doen overal hun lied weerklinken.

4

  Gij drenkt de bergen uit het hoge zwerk,

  de vruchtbaarheid der aarde is uw werk.

  De dieren grazen in de malse weiden,

  de sikkel gaat de rijpe halmen snijden.

  De wijn verheugt het hart, en voedzaam brood

  geeft Gij genoeg voor aller mensen nood.

  Zie op de Libanon Gods cederbomen,

  zij staan verzadigd door zijn regenstromen.

5

  Daar nest'len vogels in de hoge kruin,

  bewonen eibers een cypressentuin.

  De steenbok klautert op de hoge toppen,

  in holen kan de klipdas zich verstoppen.

  Gij deelt de tijd in naar de stand der maan

  en doet de zon, nog dralend, ondergaan.

  Dan worden in het bos de dieren wakker,

  rumoerig breken zij zich door de takken.

6

  En in het duister klinkt een hese schreeuw,

  zijn voedsel zoekend brult de jonge leeuw.

  Aan God den Here zelf vraagt hij om spijze.

  De dag breekt aan, de morgenzon gaat rijzen;

  het wordt weer stil, loom en verzadigd keert

  hij naar zijn hol, waar niets zijn sluimer deert.

  De mens treedt in het licht en gaat zijn plichten

  getrouw tot aan de avond toe verrichten.

7

  O Heer, hoe groot moet dan uw wijsheid zijn,

  Gij hebt het al gemaakt, van groot tot klein.

  Vol is de aarde van uw wonderwerken.

  Daar is de zee, hoe wijd stelt Gij haar perken.

  Hoe wemelt zij van dieren zonder tal.

  De schepen varen aan van overal.

  En in de schoot der zee leggen uw handen

  de leviathan spelende aan banden.

8

  Al wat er in uw grote schepping leeft

  wacht, Heer, op U, tot Gij hun voedsel geeft.

  Ontsluit G' uw hand, zij zamelen de gaven

  waarmee Gij hen wilt spijzigen en laven.

  Verbergt Gij uw gezicht, hen dreigt de dood,

  stof worden zij weer in der aarde schoot.

  Maar d' adem van uw Geest brengt hen tot leven;

  het aardrijk wordt een nieuwe bloei gegeven.

9

  De ere Gods zij tot in eeuwigheid.

  De schepping blinke van zijn majesteit.

  Ja, alles wat Hij opriep en doet leven

  moge Hem ongestoorde vreugde geven.

  Aanbiddelijk in grootheid is de Heer,

  ziet Hij alleen maar op de aarde neer,

  dan beeft zij, en de grote bergen roken

  als Hij zijn hand naar hen heeft uitgestoken.

10

  Ik zal den Heer lofzingen levenslang,

  zolang ik ben wijd ik Hem mijn gezang.

  Behage Hem het lied dat ik Hem wijdde,

  dan zal ik steeds mij in den Heer verblijden.

  De aarde wordt van alle zondaars rein,

  de goddelozen zullen niet meer zijn.

  Loof, halleluja, loof, mijn ziel, den Here,

  alles in allen zal Hij triomferen.

---

*105

#18

1

  Looft God den Heer, en laat ons blijde

  zijn glorierijke naam belijden.

  Meldt ieder volk en elk geslacht

  de wonderen die God volbracht.

  Gij die van harte zoekt den Heer,

  verblijdt u, geeft zijn naam de eer.

2

  Vraagt naar des Heren grote daden;

  zoekt zijn nabijheid, zijn genade.

  Gedenkt hoe Hij zijn oordeel velt,

  zijn wonderen ten teken stelt,

  volk dat op Abram u beroemt,

  met Jakobs nieuwe naam genoemd.

3

  God, die aan ons zich openbaarde,

  regeert en oordeelt heel de aarde.

  Zijn woord wordt altoos trouw volbracht

  tot in 't duizendste geslacht.

  't Verbond met Abraham zijn vrind

  bevestigt Hij van kind tot kind.

4

  De Heer heeft Izak uitverkoren,

  aan Jakob zijn verbond bezworen,

  aan Isra‰l zijn trouw verpand;

  Uw kind'ren breng Ik naar dit land,

  naar Kana„n dat eeuwig is

  uw toegemeten erfenis.

5

  Toen zij door vreemde landen gingen,

  een kleine schare vreemdelingen,

  van volk tot volk, van land tot land,

  toen ging Hij aan hun rechterhand.

  Volken en vorsten zei Hij aan;

  Laat mijn gezalfden veilig gaan.

6

  Hoe wonderbaarlijk zijn Gods wegen.

  Toen Hij de deur sloot van de regen,

  met hongersnood het land bezocht,

  was Jozef reeds als slaaf verkocht

  en in gevangenschap geraakt,

  maar door Gods woorden vrijgemaakt.

7

  Egypte 's koning, die bespeurde

  dat al wat Jozef zei gebeurde,

  bevrijdde hem, gaf heel zijn land

  en heel zijn huis hem in de hand.

  Rijksgroten zelfs vereerden hem,

  en oudsten hoorden naar zijn stem.

8

  Zo kwamen Jakob en zijn zonen

  als gasten in Egypte wonen.

  God gaf hun bloei in 't vreemde land,

  zij namen bijna d' overhand.

  Doch niemand vreesde voor hun macht,

  zolang men nog aan Jozef dacht.

9

  De harten der Egyptenaren,

  die Isra‰l genegen waren,

  zijn door de Heer die alles leidt

  vervuld met afgunst, haat en nijd.

  toen heeft Egypte hen gekweld

  met sluwe list en bruut geweld.

10

  Maar Mozes liet Gods woorden horen,

  A„ron kwam, door God verkoren,

  en tekenen van 's Heren hand

  geschiedden in Egypteland.

  De duisternis verslond de dag,

  zo triomfeerde Gods gezag.

11

  Water werd bloed, met witte lijven

  kwamen de vissen bovendrijven.

  De kikvors kwaakt' in land in stad,

  tot waar de koning sliep en at.

  En weer sprak Mozes en terstond

  krioelde 't ongedierte rond.

12

  De hagel sloeg de rijke landen,

  en in het koren woedden branden.

  Het ooft viel onrijp van de tak,

  die door 't geweld der vlagen brak.

  Hij sprak: een sprinkhaanvolk verscheen,

  het allerlaatste groen verdween.

13

  Toen kwam de grote nacht der nachten,

  verschrikking voor wie God verachtten.

  Egypte 's koning zag ontsteld

  zijn eerstelingen neergeveld.

  De doodsheraut ging door het land,

  maar God hield Isra‰l in stand.

14

  Gods volk trok uit langs effen paden,

  met zilver en met goud beladen.

  De rijen door weerklonk hun lied.

  Wie God vertrouwt, die struikelt niet.

  Bekomen van verslagenheid

  was zelfs Egypte 's volk verblijd.

15

  God gaf een wolk die hen geleidde,

  een vuur in 't duister aan hun zijde.

  Zo trokken zij in vrede voort,

  en steeds heeft God hun wens verhoord.

  Hij zond hun kwakkels in de nood,

  en uit de hemel hemels brood.

16

  God laafde hen in dorre streken,

  deed water uit de rotsen breken,

  't werd een rivier en stroomde voort,

  want Hij gedacht zijn heilig woord,

  de trouw die Hij had toegezegd

  aan vader Abraham, zijn knecht.

17

  Hij was het die zijn volk bevrijdde,

  zijn uitverkoornen veilig leidde.

  Zo trokken zij het diensthuis uit

  met dans en zang bij trom en fluit,

  en erfden het beloofde land,

  de arbeid van der heid'nen hand.

18

  Die gunst heeft God zijn volk bewezen,

  opdat het altoos Hem zou vrezen,

  zijn wet betrachten en voortaan

  volstandig op zijn wegen gaan.

  Prijs God om al zijn majesteit.

  Hij leidt ons tot in eeuwigheid.

---

*106

#22

1

  Looft nu den Heer, want Hij is goed,

  die met zijn liefde ons ontmoet.

  Zijn trouw houdt stand te allen tijde.

  Wie prijst zijn daden woord voor woord?

  Wie kan zijn heerlijkheid belijden?

  Wie looft Hem zodat elk het hoort?

2

  Gelukkig zijn die Hij geleidt,

  die leven in gerechtigheid.

  Gedenk mij naar uw welbehagen.

  Dat ik met heel mijn volk U dien,

  met hen van voorspoed mag gewagen,

  de zegen van uw erfdeel zien.

3

  Heer, wij zijn zondig, wij zijn boos,

  als onze vaadren goddeloos,

  die in Egypte U verachtten,

  en voor uw wondren doof en blind,

  U bij de Schelfzee niet gedachten,

  uw gunsten sloegen in de wind.

4

  Maar Hij heeft nochtans hen bevrijd.

  Hij toonde hun zijn majesteit,

  om zo zijn naam te doen verhogen.

  Zijn dreigen dreef de zee uiteen,

  en Isra‰l ging op het droge

  als door een vlakke steppe heen.

5

  Hij hielp hen uit des vijands hand,

  Hij brak de haat, de tegenstand,

  ontketende 't geweld der golven,

  en heeft Egypte 's machtig heer

  tot aan de laatste man bedolven.

  toen zongen zij zijn lof, zijn eer.

6

  Hoe snel vergaten zij den Heer,

  hoorden naar zijn bevel niet meer.

  Begeerte had hun hart bevangen.

  Zij tartten God in de woestijn.

  Hij gaf hun toornig hun verlangen,

  opdat het hun tot straf zou zijn.

7

  Zij wilden naad'ren tot hun Heer,

  zij eisten dat A„rons eer,

  dat Mozes' ambt hun toe zou vallen.

  De aarde spleet, het vuur verslond.

  Dathan, Abiram, ja zij allen

  verzwolgen zijn zij in de grond.

8

  Zij hebben niet op God vertrouwd.

  Zij maakten zich een kalf van goud,

  een afgodsbeeld dat zij aanbaden.

  Zij hebben voor een grazend beest

  hun eer geruild, en God verraden

  die steeds hun helper was geweest.

9

  Hun helper , die vergaten zij,

  die in Egypte hun nabij

  geweest was in het huis der slaven,

  hen door de Schelfzee had geleid.

  Zij offerden een dier hun gaven,

  alsof een kalf hen had bevrijd.

10

  Toen sprak de Heer, in toorn ontbrand;

  Ik roei hen uit met eigen hand.

  Ontsteld trad Mozes tussen beide.

  Hij smeekte; Spaar dit zondig volk

  en blijf genadig ons geleiden,

  ga, Heer, ons voor in vuur en wolk.

11

  Het heerlijk land dat God hun wees,

  versmaadden zij, verlamd door vrees.

  Zij hokten in hun tenten samen,

  zij die in ongeloof hun lot

  aldus in eigen handen namen,

  niet hoorden naar den Heer, hun God.

12

  Toen straft', aan 't eind van zijn geduld,

  de Heer hun mateloze schuld.

  Hij hief zijn hand om te verderven.

  Hij zwoer hun dood in de woestijn,

  en dat hun kind'ren zouden zwerven

  en balling in den vreemde zijn.

13

  Zij hebben roekeloos hun lot

  verbonden aan een vreemde god,

  waarbij zij dodenoffers aten.

  Hij, door hun hoon getergd, besloot

  het onheil op hen los te laten.

  Hij sloeg hen met verderf en dood.

14

  Te rechter tijd hield Pinehas,

  die Gods getrouwe priester was,

  een strafgericht in naam des Heren.

  Hij heeft Gods toorn tot rust gebracht.

  Hem zal men als rechtvaardig eren,

  hem en zijn hele nageslacht.

15

  Zij liepen Mozes achterna

  met bitt're klacht bij Meriba.

  Om water was het hun begonnen.

  En hij, in driftig ongeduld,

  sprak woorden, dwaas en onbezonnen.

  Zo werd hij schuldig door hun schuld.

16

  Zij hebben Gods bevel veracht,

  de heidenen niet omgebracht,

  zij stonden voor hun invloed open.

  Door eigen schuld is Isra‰l

  toen blind'lings in de val gelopen

  van het verdwaasd afgodisch spel.

17

  Zij hadden voor 't gewaande heil

  hun zonen en hun dochters veil,

  die moesten voor hun goden sterven;

  zij deinsden niet terug om snood

  het land met bloedschuld te verderven

  en te ontwijden door hun dood.

18

  Hoe dikwijls heeft, met schuld bedekt,

  dit volk des Heren toorn verwekt.

  Hoe dikwijls moest Hij hen kastijden.

  Hij gaf hen in des vijands macht,

  maar telkens kwam Hij hen bevrijden,

  daar Hij aan zijn verbond gedacht.

19

  Zij tartten steeds weer Gods geduld.

  Zij zonken weg in eigen schuld.

  Hun haters sloegen diepe wonden.

  Zij werden eeuwenlang gekweld

  en in de ballingschap gezonden,

  ten prooi aan wreedheid en geweld.

20

  Zij klaagden eind'lijk God hun nood,

  die in zijn liefde wondergroot

  hen aanzag, met hun lot bewogen.

  Hij maakte, trouw aan zijn verbond,

  dat Isra‰l zelfs in 's vijands ogen

  in 't vreemde land genade vond.

21

  Verlos ons , Here, onze God,

  verhef uw aanschijn, wend ons lot,

  verzamel ons uit alle streken,

  opdat wij eenmaal allen saam

  van de vervulling mogen spreken,

  lof brengen aan uw heil'ge naam.

22

  Geprezen zij de Heer die leeft,

  die Isra‰l verkoren heeft.

  Hij brengt straks heel zijn volk tezamen.

  Gezegend zij zijn trouw beleid.

  Zegge al het volk nu: Amen, amen.

  Loof hem in alle eeuwigheid.

---

*107

#20

1

  Gods goedheid houdt ons staande

  zolang de wereld staat!

  Houdt dan de lofzang gaande

  voor God die leven laat.

  Al wie, door Hem bevrijd

  uit ongastvrije streken,

  naar huis werd heengeleid,

  zal van zijn liefde spreken.

2

  Al wie verbijsterd zwierven

  ver buiten heg en steg

  en haast van honger stierven,

  neervallend langs de weg,-

  geen thuis, geen toevluchtsoord

  was hun nabijgekomen,

  had Hij hen niet gehoord

  en bij de hand genomen.

3

  Zij moeten God aanbidden,

  rondom zijn altaar staan,

  omdat Hij in hun midden

  zijn wonder heeft gedaan;

  maaltijd en lafenis

  meer dan zij durfden dromen;

  de last van hun gemis

  heeft Hij hun afgenomen.

4

  Laat ons nu voor den Here

  zijn goedertierenheid

  toezingen en vereren

  de God die ons bevrijdt.

  Want wie zijn hulp verlangt,

  Hem aanroept in gebeden,

  verlost Hij uit de angst

  en leidt Hij tot den vrede.

5

  Zij die in boeien lagen

  van duisternis en dood,

  omdat zij niet ontzagen

  wat hun de Heer gebood,

  hun hart, in zijn gericht

  geslagen en gebogen,

  werd hoog weer opgericht

  door zijn groot mededogen.

6

  Ja, toen zij tot Hem riepen

  om steun en onderstand,

  hief Hij hen uit de diepe

  onmacht met sterke hand.

  Het ijzer van de ban,

  waaronder zij bezweken,

  alleen Gods engel kan

  het eigenhandig breken.

7

  Laat ons nu voor den Here

  zijn goedertierenheid

  toezingen en vereren

  de God die ons bevrijdt.

  Want wie zijn hulp verlangt,

  Hem aanroept in gebeden,

  verlost Hij uit de angst

  en leidt Hij tot den vrede.

8

  En gij, ontrouwe dwazen,

  die lijdt door eigen schuld,

  wordt de bazuin geblazen

  aan 't eind van Gods geduld,

  dan schreeuwt gij tot den Heer,

  dat Hij u zal genezen

  en dat zijn woord u weer

  ten levenslicht zal wezen.

9

  Waarom sluit gij uw ogen?

  Zijn licht ontsteekt het licht,

  zijn geest komt aangevlogen,

  verheft uw aangezicht!

  Dankt dan den Heer als gij

  de doodsnacht zijt ontvloden-

  de schemer gaat voorbij,

  de morgen is ontboden.

10

  Laat ons nu voor den Here

  zijn goedertierenheid

  toezingen en vereren

  de God die ons bevrijdt.

  Want wie zijn hulp verlangt,

  Hem aanroept in gebeden,

  verlost Hij uit de angst

  en leidt Hij tot den vrede.

11

  Die langs Gods oceanen

  trotseren wind en vloed

  om zich een weg te banen

  de welvaart tegemoet,-

  Hij hief zijn stem en riep,

  toen steigerden de golven,

  het water zwart en diep

  heeft al hun moed bedolven.

12

  Schepen, omhooggedragen

  op golfslag van de dood,

  zinken terneergeslagen

  weer in de waterschoot.

  Als zo de storm opsteekt,

  hoezeer wordt allerwegen

  gebeden en gesmeekt

  om Gods reddende zegen!

13

  Hun vege levens spaart Hij,

  de golven maakt Hij stil.

  het stormgeweld bedaart Hij,

  het voegt zich naar zijn wil.

  Scheepsvolk, heradem weer,

  gij kunt aan rust u laven

  en dankt nu God den Heer,

  Hij leidt u naar de haven.

14

  Als gij zijt aangekomen

  en 't anker vallen laat,

  zingt mee het lied der vromen,

  hoort hun beproefde raad;

  God die de wereld schiep

  gaf u de goede rede,

  looft Hem die 't water riep

  en op de zee kan treden.

15

  Laat ons nu voor den Here

  zijn goedertierenheid

  toezingen en vereren

  de God die ons bevrijdt.

  Want wie zijn hulp verlangt,

  Hem aanroept in gebeden,

  verlost Hij uit de angst

  en leidt Hij tot den vrede.

16

  Rivieren doet Hij drogen,

  hun bedding wordt woestijn,

  en de landouwen mogen

  niet langer vruchtbaar zijn.

  Zout is de nasmaak van

  een overmaat van boosheid;

  de dorst des levens kan

  omslaan in machteloosheid.

17

  Maar waar geen gras wou groeien

  in 't hart van steen en zand,

  doet Hij fonteinen sproeien,

  glimlachend ligt het land.

  Hij richt een woonstee aan

  voor wie ontbering leden,

  daar geeft de aarde graan,

  de wereld bloeit van vrede.

18

  Hij doet hen goed en zegent

  hun aantal ongeteld,

  en als hun 't lot bejegent

  met kommer en geweld,

  Hij is het die verlaagt

  wie hoog zich had verheven,

  geweldenaars verjaagt

  en 't volk weer op doet leven.

19

  Wie nooddruft heeft, hij hope;

  een herder is de Heer.

  Hij doet de toekomst open,

  hun leven neemt een keer.

  Al wie het goede doet

  zal zien en zich verheugen;

  de waarheid spreekt voorgoed,

  verstommen zal de leugen.

20

  Wie wijs is, zal den Here

  zijn goedertierenheid

  toezingen en vereren

  de God die ons bevrijdt.

  Want wie zijn hulp verlangt,

  Hem aanroept in gebeden,

  verlost Hij uit de angst

  en leidt Hij tot den vrede.

---

*108

#4

1

  Mijn hart is, Heer, in U gerust.

  Uw lof te zingen is mijn lust.

  Maakt, harp en luit, den Here groot.

  Mijn lied begroet het morgenrood.

  Ik breng mijn lof, o Heer, U toe

  onder de volken en ik doe

  in ieder land mijn psalm weerklinken,

  daar 'k hemelhoog uw trouw zie blinken.

2

  Ja, hoger dan het hemels blauw

  is, Heer, uw goedheid en uw trouw.

  Verhef U, dat uw aangezicht

  de hemel met zijn glans verlicht.

  Op aarde blink' uw heerlijkheid.

  Gord uw geliefden tot de strijd.

  Ten zege zij uw hand geheven,

  hoor mij, o Heer, wil antwoord geven.

3

  Maar wat? Mijn God heeft reeds gehoord.

  In 't heiligdom weerklonk zijn woord.

  Ik juich, ik zal de vijand slaan

  aan beide oevers der Jordaan.

  Dan, mij erkennend als hun heer,

  werpt zich het Noorden voor mij neer

  en 't Zuiden hoort naar mijn bevelen.

  Heel 't land zal 'k meten en verdelen.

4

  Wie voert mij met een vaste hand

  tot in het hart van 's vijands land?

  O God, die ons verstoten had,

  trek met ons uit, wijs ons het pad,

  want mensenhulp is ijdelheid.

  Nu God ons bijstaat in de strijd

  is elke heldendaad te wagen.

  De vijand wordt door Hem verslagen.

---

*109

#14

1

  God die ik loof te allen tijde,

  zwijg niet, kom haastig tussenbeide.

  De haat verheft zich allerwege,

  om leugens is geen mens verlegen.

  De goddeloze roert de mond,

  staat mij naar 't leven zonder grond.

2

  Ik heb mijn liefde hun gegeven,

  geheel mijn hart, geheel mijn leven,

  hoewel zij met verraad mij lonen.

  Ik bid voor allen die mij honen,

  ik zegen ieder die mij haat,

  maar zij vergelden goed met kwaad.

3

  "Laat onrechtvaardigen hem richten,

  laat goddelozen hem betichten

  en laat hem schuldig zijn bevonden.

  Worde zijn smeekgebed tot zonde,

  worde zijn leven ras verteerd,

  een ander met zijn ambt ge‰erd.

4

  Verwees zijn kroost, verweeuw zijn gade,

  laat op genade of ongenade

  zijn kind'ren bedelen en dolen

  en opgejaagd zijn uit hun holen.

  Worde al wat hij had vergaard

  geplunderd en verbeurd verklaard.

5

  Laat niemand hem meer liefde schenken,

  niemand zijn kinderen gedenken,

  ja, laat zijn kroost ten grave dalen,

  niemand hun namen meer herhalen,

  dat zijn geslacht geen wortel schiet,

  als onkruid dat is uitgewied.

6

  De schuld der vroegere geslachten

  blijve voorgoed in Gods gedachten.

  Ja, laat de zonde van zijn ouders

  als last neerkomen op zijn schouders.

  Tot zijn geslacht niet meer bestaat

  wreke God eindeloos hun kwaad.

7

  Hij kende deernis noch erbarmen,

  vervolgde tot de dood de armen.

  Laat hem zegen en vloek beseffen.

  Vloek had hij lief, dat vloek hem treffe.

  De zegening verfoeide hij,

  zegening ga aan hem voorbij.

8

  Vloek heeft hij als een kleed gedragen,

  laat vloek nu zijn gebeente knagen,

  laat vloek zijn lichaam overdekken,

  laat vloek zijn vlees en bloed doortrekken".

  Zo loont de Heer wie mij weerstaat

  met leugentaal en lasterpraat.

9

  O trouwe Heer, die hebt gegeven

  de kennis van uw naam ten leven,

  zij nu voor mij die naam het teken

  dat Gij tot mij in gunst wilt spreken

  en rijk in goedertierenheid

  naar uw beloften mij bevrijdt.

10

  Ik ben ellendig boven mate,

  mijn hart wil zich niet troosten laten.

  In 't licht dat bijna is verdwenen

  ga ik gelijk een schaduw henen.

  Als een insect dat men vertreedt,

  zo lig ik neder in mijn leed.

11

  Mijn knie‰n kunnen mij niet dragen.

  Ik heb van vasten en van klagen

  al mijn gedaant' en vorm verloren.

  Ik hoor een spotlach in mijn oren

  en die mij aanzien schudden 't hoofd.

  Ik ben van heerlijkheid beroofd.

12

  Help mij, o Heer, naar uw meedogen,

  verlos mij door uw groot vermogen.

  Wil naar uw goedertierenheden

  nu voor uw knecht in 't strijdperk treden.

  Zodat al wie het gadeslaan

  weten dat Gij het hebt gedaan.

13

  Geef voor hun vloek, o Heer, mij zegen,

  treed alwie zich verheffen tegen

  en laat uw dienaar zich verblijden

  wanneer hun plannen schipbreuk lijden.

  Hul in de mantel van de smaad

  al wie mij naar het leven staat.

14

  Ik zal met luider stem den Here

  in 't midden der gemeente eren,

  want Hij staat aan de rechterzijde

  van allen die verdrukking lijden.

  wanneer de boze hen beticht,

  is Hij hun voorspraak in 't gericht.

---

*110

#5

1

  De Here God heeft tot mijn heer gesproken;

  "Zit aan mijn rechterhand, Ik houd gericht.

  Ik zal uw vijand slaan, tot hij gebroken

  als voetbank aan uw voeten nederligt".

2

  Hij reikt u zelf de scepter van de zege.

  Van Sion uit bedwingt uw heerschapij

  des vijands trots. Uw volk trekt allerwege

  vrijwillig op, staat in de slag u bij.

3

  Zie, uit de moederschoot van 't morgengrauwen

  brengt u de bloem van heel het volk zijn groet

  in heil'ge feestdos, ja 't zal om u dauwen

  van levenslust en jeugdig' overmoed.

4

  De Heer heeft onherroepelijk gezworen,

  dat gij als Melchizedek zijt gewijd.

  Voorgoed zal u het priesterschap behoren.

  De Heer is met u, Hij beslecht het pleit.

5

  Over de volken zal hij oordeel spreken.

  Hij richt een slachting aan op 't wijde veld-

  en op zijn tocht lest hij uit koele beken

  zijn dorst, en heft het hoofd op als een held.

---

*111

#6

1

  Van ganser harte loof ik Hem

  in 't midden van Jeruzalem,

  den Heer in 't midden der getrouwen.

  Groot zijn de daden van den Heer,

  Hij doet wie lust heeft aan zijn leer

  de schoonheid van zijn heil aanschouwen.

2

  Zijn doen is louter majesteit,

  zijn luister, zijn gerechtigheid

  houdt eeuwig stand, blijft eeuwig gelden.

  Genadig en barmhartig is

  de Heer, en zijn gedachtenis

  eeuwig waar Hij zijn daden stelde.

3

  Aan wie Hem vrezen gaf Hij spijs,

  zijn kind'ren geeft Hij nimmer prijs,

  steeds blijft Hij zijn verbond gedenken.

  Hoe Hij zijn volk zijn kracht betoont!

  Het land waarin de afgod troont,

  wilde Hij aan de zijnen schenken.

4

  Hoe recht is zijner handen werk,

  de waarheid zelf, volmaakt en sterk,

  hoe heilzaam zijn gegeven orde!

  Hij spreekt zijn wil uit en voortaan

  wordt daar nooit meer aan afgedaan,

  ieder moet Hem gehoorzaam worden.

5

  Zijn volk heeft Hij voorgoed bevrijd

  en zijn verbond staat voor altijd,

  een licht hoog op de berg ontstoken.

  Heilig en zeer te duchten is

  zijn naam in de geschiedenis.

  Nooit wordt wat Hij belooft verbroken.

6

  Van alle wijsheid het begin

  is; vrees den Heer met ziel en zin,

  aanbid zijn wil met vrees en beven.

  Dit is het helderste verstand.

  Loof Hem, zijn lof houdt eeuwig stand.

  Wie Hem verhoogt zal met Hem leven.

---

*112

#5

1

  God zij geloofd en hoog geprezen.

  Welzalig die de Here vrezen.

  Wie in zijn hart Gods wet bewaarde,

  zijn nageslacht is groot op aarde.

  Wie vrolijk voortgaat op Gods wegen,

  be‰rft een overvloed van zegen.

2

  Zijn goede naam wordt nooit te schande,

  zijn recht is veilig in Gods handen.

  Zelfs in de nacht ziet hij het dagen,

  een glans van liefd' en welbehagen.

  Gods waarheid zal voor al de zijnen

  als zonlicht in het duister schijnen.

3

  Wel hem, die geeft te allen tijde,

  die zich door liefd' en recht laat leiden.

  Hij is standvastig, wankelt nimmer,

  zijn goede trouw bestaat voor immer.

  Voor kwaad gerucht zal hij niet vrezen,

  de Heer zal steeds zijn schuilplaats wezen.

4

  Standvastig blijft hij bij zijn plannen,

  nooit zal de vrees hem overmannen.

  Hij slaat met vreugd de vijand gade,

  geen haat, geen boosheid kan hem schaden.

  Mild is zijn hart en vol erbarmen

  schenkt hij zijn gaven aan de armen.

5

  Zijn recht houdt stand, niets kan hem deren,

  zijn goede naam is hoog in ere,

  terwijl de vijand van het goede

  vergaat van machteloze woede,

  want al zijn boosheid is gebreideld

  en al zijn plannen zijn verijdeld.

---

*113

#3

1

  Prijst, halleluja, prijst den Heer,

  gij 's Heren knechten, immermeer

  moet 's Heren naam gezegend wezen.

  Van waar de zon in 't Oosten straalt,

  tot waar z' in 't Westen nederdaalt,

  zij 's Heren grote naam geprezen.

2

  Ver boven aller volken trots

  blinkt hemelhoog de glorie Gods.

  Wie is als Hij, de Heer der heren?

  Hij onze God, die troont zo hoog,

  slaat op het diepste diep zijn oog.

  Hemel en aarde moet Hem eren.

3

  Wie onderligt in stof en slijk,

  maakt God aan edelen gelijk.

  Hij geeft een vrouw haar diepst verlangen.

  Hij zegent die onvruchtbaar scheen,

  met bloei van kind'ren om haar heen.

  Prijst Hem, den Heer, met lofgezangen.

---

*114

#4

1

  Toen Isra‰l uit Egypteland ging,

  Jakob zijn vrijheid vol vreugde ontving,

  zij `t vreemde land ontkwamen,

  werd Juda aan de Heere toegewijd,

  werden tot rijk van Gods volkomenheid

  al Isra‰ls stammen samen.

2

  Dit zag de zee en zij vluchtte ontdaan,

  achterwaarts wendde zich toen de Jordaan

  daar God zijn macht deed gelden.

  Als rammen sprongen bergen, vast gegrond,

  plotseling op, de heuvels in het rond

  als lammeren in de velden.

3

  Waarom, o zee, liet gij vluchtend ruim baan?

  Wat overkwam toch uw waat'ren, Jordaan?

  dat zij zich eensklaps scheidden?

  Gij trotse bergen, heuvels vast gegrond,

  waarom sprongt gij als rammen in het rond,

  als lammeren in de weide?

4

  Beef dan, gij aarde, voor Isra‰ls Heer,

  krimp voor zijn aanschijn en buig u terneer,

  laat u door God bedwingen

  die water wellen deed uit de woestijn

  en uit de harde steenrots een fontein

  van lafenis ontspringen.

---

*115

#7

1

  Niet ons, o Heer, niet ons zij eer gewijd,

  doch uw voortdurende aanwezigheid,

  uw trouw en uw genade.

  Waar is uw God? tart ons het heidendom.

  Hij onze God, gaat in zijn heiligdom

  slechts met zichzelf te rade.

2

  De volken denken zelf hun goden uit;

  hun gouden monden geven geen geluid,

  geen licht is in hun ogen;

  hun handen tasten niet; geen wierooklucht

  dringt tot hen door, hun oor hoort geen gerucht,

  hun voet wordt niet bewogen.

3

  Wie in die goden zijn behagen vindt

  en wie ze maakt, wordt even doof en blind

  als deze dode dingen.

  Maar wij, wij hebben onze God die leeft,

  die spreekt en hoort en die het leven geeft

  aan alle stervelingen.

4

  O Isra‰l, vertrouw op God den Heer.

  Hij is te allen tijd hun tegenweer,

  hun schild, hun vast betrouwen.

  Huis van A„ron, hoop op Hem die leeft,

  die allerwegen zijn bescherming geeft,

  uw schild, uw vast betrouwen.

5

  Vertrouw op God, gij die den Here vreest,

  die altijd voor de zijnen is geweest

  hun schild, hun vast betrouwen.

  De Heer heeft zegenrijk aan ons gedacht,

  A„rons huis en Isra‰ls geslacht

  doet Hij zijn gunst aanschouwen.

6

  U en uw kind'ren zeegne Hij die leeft,

  die door zijn machtig woord geschapen heeft

  hemel en aarde beide.

  De hemel is des Heren kroondomein;

  wij mensen mogen op de aarde zijn

  en ons in Hem verblijden.

7

  De doden geven van Gods roem geen blijk.

  Zij kunnen Hem niet prijzen, die in 't rijk

  der stilte nederzinken.

  Maar onder ons die leven in het licht

  zal blijde lofzang voor zijn aangezicht

  nu en altoos weerklinken.

---

*116

#8

1

  God heb ik lief, want die getrouwe Heer

  nam, toen ik riep, met toegenegen oren

  mijn woorden aan. Hij zal mij blijven horen

  en levenslang ben ik niet eenzaam meer.

2

  Toen de benauwdheid dreigend op mij viel

  en angsten voor het doodsrijk mij bekropen,

  heb ik de naam des Heren aangeroepen

  en weende; Heer mijn God, bewaar mijn ziel!

3

  Hij is goedgunstig in gerechtigheid,

  Hij wil zich altijd over ons ontfermen.

  Zijn kracht kwam mij, eenvoudige, beschermen.

  Rust nu, mijn ziel, de Heer heeft u bevrijd.

4

  O God, mijn God, die van de dood mij redt,

  mijn tranen afwist! Voor het oog des Heren

  mag ik weer vrij in 's levens land verkeren,

  geen steen die stoot waar ik mijn voeten zet.

5

  O 'k heb geloofd, ik wist het wel dat Gij

  nog met mij waart in 't diepst van mijn benauwen,

  toen 'k in mijn angst geen mens meer kon vertrouwen

  en leugen werd wat men mij troostend zei.

6

  Hoe zal ik naar geloften, toen gedaan,

  nu danken voor de redding van mijn leven?

  Ik heb de kelk van 's Heren heil geheven

  en noem voor heel het volk zijn grote naam.

7

  De dood van een die Hem is toegewijd

  staat God te duur. O Heer, mijns levens hoeder,

  uw dienstknecht ben ik, dienstmaagd was mijn moeder.

  Uw eigen ben ik, Gij hebt mij bevrijd!

8

  Voor 't oog van al de zijnen zal ik Hem

  offers van dank naar mijn beloften brengen,

  in 's Heren voorhof mijn gejubel mengen

  met uw lofprijzingen, Jeruzalem.

---

*117

#1

1

  Looft, alle volken, looft den Heer,

  roemt, alle naties, roemt zijn eer.

  Want over ons is groot en wijd

  zijn gunst en goedertierenheid,

  voor eeuwig blijft zijn trouw bestaan.

  Heft met ons Halleluja aan!

---

*118

#10

1

  Laat ieder 's Heren goedheid prijzen,

  zijn liefde duurt in eeuwigheid.

  Laat, Isra‰l, uw lofzang rijzen;

  Zijn liefde duurt in eeuwigheid.

  Dit zij het lied der priesterkoren;

  Zijn liefde duurt in eeuwigheid.

  Gij, die den Heer vreest, laat het horen;

  Zijn liefde duurt in eeuwigheid.

2

  Ik werd benauwd van alle zijden

  en riep den Heer ootmoedig aan.

  De Heer verhoorde en bevrijdde,

  Hij deed mij in de ruimte staan.

  De Heer is met mij, 'k zal niet vrezen.

  Geen sterveling verschrikt mij meer.

  De Heer wil mij tot helper wezen;

  ik zie op al mijn haters neer.

3

  't Is beter bij den Heer te schuilen

  dan dat men bouwt op man en macht.

  't Is beter bij den Heer te schuilen

  dan dat men hulp van vorsten wacht.

  Toen ik mij wenden kon nog keren,

  omsloten door der volken ring,

  doorbrak ik in de naam des Heren

  de knellende omsingeling.

4

  Zij zwermden om mij heen als bijen,

  zij waren dreigend om mij heen.

  In Gods naam brak ik door hun rijen,

  als strovuur sloeg ik hen uiteen.

  O vijand, die met felle stoten

  mij bijna hebt ten val gebracht,

  de Heer had tot mijn heil besloten,

  Hij redde mij, Hij schonk mij kracht.

5

  De Heer is mij tot hulp en sterkte,

  Hij is mijn lied, mijn psalmgezang.

  Hij is het, die mijn heil bewerkte.

  Ik loof den Heer mijn leven lang.

  Hoort in hun kamp Gods knechten zingen

  nu Hij de zege heeft gebracht;

  Gods rechterhand doet grote dingen,

  Gods rechterhand heeft grote kracht!

6

  Des Heren hand is hoog verheven,

  des Heren rechterhand is sterk.

  Ik zal niet sterven, ik zal leven

  en zingen van des Heren werk.

  De Heer heeft mij wel zwaar geslagen,

  maar niet verlaten in mijn nood,

  en zijn genadig welbehagen

  gaf mij niet over aan de dood.

7

  Ontsluit, ontsluit nu voor mijn schreden

  de poorten der gerechtigheid.

  Laat mij de voorhof binnentreden

  en loven 's Heren majesteit.

  Dit is de poort, de poort des Heren,

  Gods knechten zullen binnengaan.

  God van mijn heil, U wil ik eren,

  nu ik uw antwoord heb verstaan.

8

  De steen, dien door de tempelbouwers

  veracht'lijk was een plaats ontzegd,

  werd tot verbazing der beschouwers

  ten hoeksteen door God zelf gelegd.

  Dit werk is door Gods alvermogen,

  door 's Heren hand alleen geschied.

  Het is een wonder in onz' ogen.

  Wij zien het, maar doorgronden 't niet.

9

  Dit is de dag, die God deed rijzen,

  juicht nu met ons en weest verblijd.

  O God, geef thans uw gunstbewijzen,

  geef thans het heil door ons verbeid.

  Gezegend zij de grote koning

  die tot ons komt in 's Heren naam.

  Wij zeeg'nen u uit 's Heren woning,

  wij zegenen u al tezaam.

10

  De Heer is God, zijn gunst verheugde

  ons oog en hart met vrolijk licht.

  Nu worde 't offer onzer vreugde

  op zijn altaren aangericht.

  Gij zijt mijn God, U zal ik prijzen,

  o God, U roemen wijd en zijd.

  Laat aller lof ten hemel rijzen;

  Gods liefde duurt in eeuwigheid.

---

*119

#66

1

  Welzalig wie de rechte wegen gaan,

  wie in de regels van Gods wijsheid treden.

  Zalig wie zijn getuigenis verstaan,

  van ganser harte zoeken naar zijn vrede.

  Geen onrecht en geen dwaling lokt hen aan.

  De weg der zondaars wordt door hen gemeden.

2

  Gij hebt ons hart uw orde opgelegd,

  opdat wij die met ijver onderhouden.

  Ach, ging ik toch de wegen van uw recht,

  dan stond ik niet beschaamd, als ik vertrouwde

  op wat Gij in uw liefde tot mij zegt,

  als ik de schoonheid van uw wet aanschouwde.

3

  U dank ik, Heer, in opgetogenheid.

  Mijn hart verheugt zich over uw bevelen,

  U wil ik, die de allerhoogste zijt,

  in alles volgen, niets voor U verhelen.

  Verlaat mij niet, ik ben U toegewijd,

  verlaat mij niet, laat in uw gunst mij delen.

4

  Waarmee bewaart de jeugd haar bloem, haar eer,

  hoe vindt de mens reeds vroeg de rechte paden?

  Hij houdt zijn leven onbesmet, wanneer

  hij zich door God en zijn gebod laat raden.

  Ik zoek U met mijn ganse hart, o Heer,

  leid mij niet af ter zijde en ten kwade.

5

  Diep in mijn hart berg ik uw heilig woord,

  opdat geen zonde daar kan binnendringen.

  Geprezen zijt Gij, Heer, aan ieder oord.

  Leid mij in 't licht van uw verordeningen.

  Dan zal ik zo dat iedereen het hoort

  het hoge recht van uw verbond bezingen.

6

  O God, ik ben van harte zeer verblijd

  over de weg van uw getuigenissen.

  In uw bevelen ligt mijn zaligheid,

  ik zal mij van uw wegen vergewissen.

  Ik loof U, die mijn grootste rijkdom zijt,

  laat mij, o Heer, geen van uw woorden missen.

7

  Zegen uw knecht die Gij uw wil gebiedt.

  Ontvouw de wet die Gij ons openbaarde.

  Open mijn oog, zodat het helder ziet,

  dat ik de wondren van uw wet ontware.

  O Heer, verberg mij uw geboden niet;

  ik ben een gast en vreemdeling op aarde.

8

  Mijn ziel wordt van verlangen hier verteerd

  om U te dienen op de rechte wijze.

  Maar wie zich overmoedig van U keert,

  wie weigert om uw grote naam te prijzen,

  die wordt door U, zoals uw woord ons leert,

  met vloek bedreigd. Gij zult hem van U wijzen.

9

  Neem van mij weg de schande en de smaad,

  want ik bewaar steeds uw getuigenissen;

  al smeden vorsten met elkander kwaad

  tegen uw knecht, ik wil uw wet niet missen.

  Zij is mijn lust, ik luister naar uw raad,

  zij ondersteunt mij in het ongewisse.

10

  Ik lig terneer, gekluisterd aan het stof,

  maak mij dan, Here, naar uw woord weer levend!

  Mijn wegen heb ik U verhaald, Godlof,

  Gij hebt geantwoord en mij raad gegeven.

  Leer mij dan in het licht van het geloof

  uw wondren zien, naar uw bevelen leven.

11

  Luister hoezeer mijn ziel van kommer schreit

  en richt mij op en leid mij op uw wegen,

  doe toch de weg der leugen weg van mij,

  toon mij uw wet, uw wil, uw zorg, uw zegen,

  want ik verkies als koers waarachtigheid

  en overdenk uw woorden wel terdege.

12

  Ik klem mij vast aan uw getuigenis.

  O Heer, laat niet vergeefs mij op U hopen!

  Gij zijt mijn licht, mijn dag bij duisternis,

  Gij doet uw woorden voor mijn ogen open,

  verruimt mijn hart en maakt mijn reis gewis.

  Ik zal de weg van uw geboden lopen.

13

  Geef mij een hart dat U met vreugde groet,

  geef mij verstand - daar zal ik wel bij varen -,

  dat ik niet haak naar zilver, goud en goed,

  niet gretig schatten om mij heen vergare.

  Als Gij de weg der wet mij weten doet,

  dan zal ik die ten einde toe bewaren.

14

  Bewaar mijn oog, dat niet de valse schijn,

  dat niet de lege vreugd mijn hart bewege.

  Slechts in uw spoor kan leven leven zijn.

  Vestig mijn aandacht op de rechte wegen.

  Doe uw beloften onverwrikbaar zijn,

  immers uw knecht is tot uw dienst genegen.

15

  Doe van mij weg de schande en de smaad,

  want Gij hebt uw geboden mij gegeven

  dat ik zou onderkennen goed en kwaad

  door uw gerechtigheid die staat geschreven.

  Vreugde der Wet! God is mijn toeverlaat.

  Alleen bij uw bevelen zal ik leven.

16

  Stort over mij uw goedertierenheid,

  uw heil, naar uw belofte mij gebleken,

  opdat ik waar men smaadt en mij bestrijdt,

  mijn zaak bepleite en in vrijheid spreke.

  Gij weet dat ik uw ordening verbeid,

  neem van uw knecht niet weg uw taal en teken.

17

  Neem van mijn mond het woord der waarheid niet.

  Gij moet uw wil en wet mij openbaren.

  Mijn hart gaat uit naar wat Gij mij gebiedt,

  altoos en immer zal ik dat bewaren.

  Gij maakt ruim baan voor wie uw wet ontziet.

  Ik volg uw licht, daar zal ik wel bij varen.

18

  Ook zal ik zonder schaamte en vrijuit

  voor koningen en allen die regeren

  spreken van uw onwankelbaar besluit,

  roemen de wijze lering van den Here.

  Ik strek mijn hand naar uw geboden uit,

  die heb ik lief en die zal ik begeren.

19

  Gedenk aan 't woord gesproken tot uw knecht,

  waarop Gij mij verwachting hebt gegeven.

  Dit is mijn troost in druk mij toegelegd,

  trots mijn ellende doet Gij mij herleven.

  Wat ook de overmoed der spotters zegt,

  nooit zal ik wijken van uw rechte wegen.

20

  Wanneer ik denk aan uw aloude woord

  word ik getroost, zo zal ik mij verpozen;

  maar wie er niet meer naar uw regels hoort,

  al de verdwaalden, al de goddelozen,-

  o Heer, ik ben bedroefd, ik ben verstoord

  over een wereld liggend in het boze.

21

  De wet, o Heer, die Gij aan mij beveelt,

  is als een lied mij, als een spel van snaren,

  dat in den vreemde troostend mij omspeelt.

  Ik loof uw naam in nacht en in gevaren.

  Uw trouw hebt Gij, o Heer, mij toebedeeld,

  omdat ik uw geboden blijf bewaren.

22

  De Heer is al mijn deel. Ik ben uw knecht

  en ik zal houden wat er staat geschreven.

  van harte zoek ik 't heil mij toegezegd,

  uw goede gunst die mij geleidt ten leven.

  Genade, Heer, Gij die mijn pleit beslecht,

  Gij die mij uw belofte hebt gegeven.

23

  Ik ga uw weg, ik haast en aarzel niet,

  ofschoon des bozen strikken mij omringen.

  Ik doe getrouw al wat Gij mij gebiedt.

  Te middernacht nog zal ik tot U zingen,

  dan sta ik op, dan wijd ik U mijn lied

  om uw rechtvaardige verordeningen.

24

  Aan wie U dient heb ik mijn hart verpand,

  ik ben een vriend van allen die U vrezen.

  Uw goedertierenheid vervult het land,

  ja, heel de aarde zal getuige wezen

  van de geduchte daden van uw hand.

  Laat mij uw trouw in alle dingen lezen.

25

  Want Gij hebt aan uw knecht zo wel gedaan,

  o Gij die groot zijt boven alle goden.

  Leer mij dan onderkennen en verstaan

  wat Gij geboden hebt en niet geboden;

  ik ben in voorspoed eigen weg gegaan,

  maar nu, ik weet, ik heb U steeds van node!

26

  Heer, Gij zijt goed, in heel uw wezen goed,

  en goed voor al uw kind'ren zijn uw daden.

  Wat mij aangaat, mij heeft de overmoed

  beticht van leugens en met smaad beladen,

  maar Gij zijt goed in alles wat Gij doet,

  van ganser harte ga ik op uw paden.

27

  Koud is hun hart, halsstarrig hun gemoed,

  maar ik vind in uw wet mijn zielsverrukken.

  Beter versta ik; wat Gij doet is goed,

  niet tevergeefs liet Gij mij, Heer, verdrukken.

  Mij is uw wet volmaakter overvloed

  dan duizend goud- en duizend zilverstukken.

28

  Uw hand, Heer, heeft mijn leven toebereid,

  geef mij verstand, dat ik uw wijsheid lere;

  zij die U vrezen zijn oprecht verblijd

  dat ik mijn hoop stel op uw woord, o Here;

  ik weet, uw oordeel is gerechtigheid,

  trouw is de staf waarmee Gij zult regeren.

29

  Laat mij tot troost uw trouw en goedheid zijn

  en laat uw knecht naar uw belofte vragen!

  Laat uw ontferming overvloedig zijn,

  uw wet mijn lieve lust en mijn behagen,

  maar maak beschaamd wie overmoedig zijn,

  omdat zij mij verdrukken en belagen.

30

  Ik overpeins de diepten van uw wet,

  laat hen tot mij zich wenden die U vrezen!

  In alles wat uw geest heeft ingezet

  moge mijn hart ‚‚n en ondeelbaar wezen!

  Dan zal ik onbesmeurd en onbesmet

  uw naam in heel mijn leven laten lezen.

31

  Uw woord is ‚‚n en al gerechtigheid,

  mijn ziel blijft U onwankelbaar verwachten!

  Tranen heb ik gestort van bitterheid,

  ik blijf altoos naar uw vertroosting smachten.

  Och Heer, mijn ogen heb ik uitgeschreid,

  en toch, uw wet is niet uit mijn gedachten.

32

  Hoe vele dagen gunt Gij aan uw knecht?

  Ja wat zal het getal zijn van zijn dagen?

  Wanneer spreekt Gij over mijn haters recht,

  die mij belagen uit hun hinderlagen;

  waarheid en trouw is alles wat Gij zegt,

  maar zij: hoe zij met leugens op mij jagen!

33

  Bijna tot niets ben ik teruggebracht,

  toch heb ik uw bevelen niet vergeten.

  Richt mij weer op en geef mij nieuwe kracht,

  uw goedheid, Heer, is immers ongemeten,

  opdat ik uw geboden trouw betracht,

  aan allen uw getuigenis doe weten.

34

  In eeuwigheid bestaat uw woord, uw kracht.

  Hoog in de hemel is uw naam verheven.

  Uw trouw is van geslachte tot geslacht,

  al wat er leeft, ontvangt van U het leven.

  Gij hebt de hele wereld voortgebracht

  en voor altijd een vaste plaats gegeven.

35

  Zij blijven naar uw ordinantie staan,

  hemel en aarde, want zij zijn uw knechten!

  Ik was allang in al mijn druk vergaan

  als ik mijn hart niet aan uw wetten hechtte.

  o Heer, uw woord, uw woord, daar denk ik aan,

  ik leef slechts door uw wetten en uw rechten.

36

  Ik ben de uwe, Heer, uw bondgenoot,

  verlos mij toch, ik leef naar uw besluiten.

  De goddelozen haken naar mijn dood,

  maar uw verbondstrouw zal hun opzet stuiten.

  Aan alles komt een eind, hoe schoon, hoe groot,

  maar, Heer, uw wet gaat elke grens te buiten.

37

  Hoe lief heb ik uw wet, ik denk eraan

  de ganse dag en zal mij daaraan houden.

  Zo word ik wijzer dan die mij weerstaan.

  Omdat ik op uw woorden steeds vertrouwde,

  doe ik mijn leraars zelfs verwonderd staan

  en overtref ik de beroemdste ouden.

38

  Ik heb mijn voet van 't kwade pad geweerd

  opdat ik gaan zou in uw goede wegen.

  Ik wijk niet af van wat uw woord mij leert,

  want zo alleen kom ik uw aanschijn tegen,

  Gij hebt U in uw trouw tot mij gekeerd.

  Gij zijt mijn ziel, mijn zaligheid, mijn zegen.

39

  Hoe aangenaam is 't woord van uw verbond,

  hoe lieflijk klinkt uw wet in onze oren,

  Ja, zij is mij als honing in de mond,

  inzicht ontvang ik, door naar haar te horen.

  Ik zoek uw recht, en haat uit 's harten grond

  het pad van hen die zich in 't kwaad verloren.

40

  Uw woord is als een lamp, een helder licht,

  een schijnsel op mijn pad, een eeuwig baken

  dat in de duisternis mijn schreden richt.

  Ik zwoer en ik begeer het waar te maken,

  dat ik zal wand'len voor uw aangezicht,

  dat ik uw recht zal roepen van de daken.

41

  Neem mijn geloften aan. O Heer, verklaar

  genadig mij de lering van uw wetten.

  Geef leven door uw woord in doodsgevaar.

  Ik ben bedreigd. De vijand spant zijn netten,

  maar door uw gunst zal ik onwankelbaar

  in alle nood op uw bevelen letten.

42

  Wat Gij beloofd hebt, is in eeuwigheid

  mij tot een deel en erfenis gegeven

  waarin mijn ziel zich dag aan dag verblijdt.

  Uw wet, o Heer, staat in mijn hart geschreven,

  uw wil doen is mijn lust te allen tijd,

  U te beminnen is geheel mijn leven.

43

  Mijn lust is, slechts te willen wat Gij wilt.

  Ik haat die U met dubbel hart beminnen.

  Gij zijt voor mij een schuilplaats en een schild,

  want in uw woord doet Gij mij overwinnen.

  Bozen, laat af, dat ik in God verstild

  mij dag aan dag op zijn gebod bezinne.

44

  Heer, ondersteun mij, geef mij vaste grond,

  laat uw beloften heel mijn leven schragen.

  Beschaam mij niet, ik hoop op uw verbond,

  bevestig mij, dat mij verlossing dage.

  Als Gij mij steunt, zal ik te allen stond

  de vreugde van uw wet in 't harte dragen.

 

45

  Uw banvloek treft wie niet uw woord bewaart,

  zijn leugentaal keert ledig tot hem weder.

  Maar ik heb lief al wat Gij openbaart.

  Gij zuivert d' aard, verdelgt de overtreder.

  Wanneer uw oordeel door de wereld vaart

  buig ik, o Heer, mij huiv'rend voor U neder.

46

  Gerechtigheid en recht heb ik gedaan,

  geef mij niet over aan wie mij verdrukken.

  Zij klagen mij op valse gronden aan,

  buigen het recht om mij te laten bukken.

  Wees Gij mijn borg en doe mijn recht bestaan,

  spreek Gij uw woord en breek hun trots aan stukken.

47

  Hoe zie ik uit, Heer, naar uw heilig recht,

  hoe staat uw woord van trouw mij steeds voor ogen.

  Leer mij doorgronden wat Gij hebt gezegd,

  wees Gij om mij genadiglijk bewogen.

  Verleen mij inzicht, dat ik als uw knecht

  uw wil versta, uw wijsheid kennen moge.

48

  Verhef uw hand, o Heer, zie, het is tijd,

  zij hebben trouweloos uw wet geschonden.

  Maar ik heb in de wereld wijd en zijd

  geen groter schat dan uw gebod gevonden.

  Wat Gij gebiedt, is mijn gerechtigheid.

  Ik haat en mijd de wegen van de zonde.

49

  Hoe wonderbaar is uw getuigenis.

  Ik zal het altijd in mijn hart bewaren.

  Wanneer uw heilig woord geopend is

  zal 't als een licht het duister op doen klaren.

  Gij maakt verdwaalden van hun doel gewis,

  uw kennis maakt onkundigen ervaren.

50

  Ik hunker en ik hijg naar uw gebod.

  Wend U tot mij, verleen mij uw genade.

  Zo pleit ik op mijn recht als knecht van God.

  Leid mij naar uw verbond op vaste paden.

  Wend van mij druk en onrecht, keer mijn lot,

  dan richt uw woord van dag tot dag mijn daden.

51

  Toon aan uw knecht uw lichtend aangezicht,

  wijs mij de weg van uw verordeningen.

  Al mijn gedachten zijn op U gericht.

  Ik voel de tranen naar mijn ogen dringen,

  wanneer ik zie hoe men uw wet ontwricht

  en niet meer gaat waar onze vaadren gingen.

52

  Heer, uw bestel staat als een vast gebouw

  waarin Gij woont, rechtvaardig en waarachtig.

  Gij maakt in uw onwankelbare trouw

  uw volk steeds uw getuigenis deelachtig.

  Mijn drift verteert mij, als ik hen aanschouw

  die traag van hart zijn en U niet indachtig.

53

  Uw woord is louter en volkomen rein.

  Uw dienaar houdt het steeds in hoge ere.

  Al word ik ook veracht, al ben ik klein,

  met uw beloften blijf ik stil verkeren.

  Heer, uw gerechtigheid zal eeuwig zijn,

  uw wet is waar, uw recht zal triomferen.

54

  Wanneer mij nood, wanneer mij onheil treft,

  zal uw getuigenis mij blijdschap geven,

  is het uw trouwe wet die mij verheft.

  - O eeuwig recht, o woord voorgoed geschreven!-

  O geef mij dat mijn hart dit goed beseft,

  opdat ik voor uw aangezicht mag leven.

55

  Ik roep van ganser harte, antwoord mij,

  dat ik mij van uw trouw mag vergewissen.

  Ik roep met luider stemme, sta mij bij;

  uw bijstand kan ik, trouwe Heer, niet missen.

  Verlos mij van de vijand, maak mij vrij,

  dan onderhoud ik uw getuigenissen.

56

  Nog voor het morgengrauwen roep ik luid;

  Heer, kom te hulp, ik blijf uw woord verwachten.

  Naar uw beloften zien mijn ogen uit

  des avonds laat en in de lange nachten.

  Wanneer Gij uw genadig oor ontsluit

  word ik weer levend na mijn bange klachten.

57

  Ik zie de tuchtelozen om mij heen,

  die van uw recht en wet zijn afgeweken.

  Maar Gij zijt nader, Heer, dan het gemeen

  dat U verlaat, want Gij zijt trouw gebleken.

  Van oudsher weet ik dat uw woord alleen

  ons is gegeven tot een eeuwig teken.

58

  Verlos mij, zie op mijn ellende neer,

  want van uw wetten zal ik nimmer wijken.

  Voer Gij het pleit en wees mijn tegenweer,

  laat uw beloften aan mijn leven blijken.

  De dwazen blijven verre van uw leer

  en zijn onwillig naar uw heil te reiken.

59

  O Here, uw barmhartigheid is groot.

  Laat uw bevelen mij tot leven wekken.

  Talrijk zijn mijn vervolgers, zie mijn nood,

  maar ik blijf steeds mijn handen naar U strekken.

  Want uw geboden zijn mijn daag'lijks brood,

  ik haat ze die zich aan uw woord onttrekken.

60

  Zie hoe ik uw vermaningen bemin;

  wil mij goedgunstig tot het leven leiden.

  Ik heb uw waarheid lief met ziel en zin,

  uw woord dat goed en kwaad leert onderscheiden.

  Uw woord, o Heer, houdt alle waarheid in,

  uw heilig woord is recht voor alle tijden.

61

  Zie hoe mijn vijand mij naar 't leven staat,

  hoe vorsten mij vervolgen zonder reden.

  Mijn vreugd is dat mijn woord U niet verlaat,

  mijn hart vindt daarin overvloed van vrede.

  Ik die de leugen en het onrecht haat,

  heb steeds de liefde voor uw wet beleden.

62

  Zevenmaal daags zeg ik uw goedheid dank,

  rechtvaardig is uw wet en mij ten zegen.

  Dit geeft mijn loflied innigheid en klank.

  Zij die uw wet beminnen, gaan uw wegen.

  Zij wand'len voort in vrede, vrij en frank,

  geen struikelblok, geen onheil houdt hen tegen.

63

  Ik die uw wil naar uw geboden doe,

  hoop op het heil dat Gij mij hebt beschoren.

  Mijn hele leven leef ik naar U toe,

  het zijn uw wetten die mijn hart bekoren.

  Gij kent mijn weg, o Heer, ik word niet moe

  om van uw trouw te spreken en te horen.

64

  Een smekeling, zo kom ik tot uw troon;

  leg met uw woord beslag op mijn gedachten

  opdat ik in het licht der waarheid woon.

  Laat niet vergeefs mij op uw bijstand wachten.

  Leer mij uw wet, die goed is, waar en schoon,

  dan loof ik U bij dagen en bij nachten.

65

  Al uw geboden zijn gerechtigheid.

  Ik prijs uw woord met juichende gezangen.

  Uw rechterhand geleide mij altijd;

  naar uw geboden richt ik al mijn gangen.

  Het is uw wet, waarin ik mij verblijd,

  het is uw heil, waarnaar ik blijf verlangen.

66

  Geef leven aan mijn ziel, wees Gij mijn lied,

  geef dat ik eeuwig U mag toebehoren.

  Onthoud mij uw getuigenissen niet.

  Ik was een schaap en had de weg verloren.

  Zoek, Heer, uw knecht. Ik hoor wat Gij gebiedt.

  Gij hebt mij immers tot uw dienst verkoren.

---

*120

#2

1

  Ik hief mijn stem in vrees en beven

  tot God, en Hij wou antwoord geven.

  Ik was bekommerd en ik zeide;

  "Ach Here, kom mij toch bevrijden

  van wie het rechte woord verdraaien,

  wier lippen niets dan leugen zaaien".

  Gij lastertong, wacht van Gods hand

  een scherpe pijl, een felle brand!

2

  Wee mij, want ik ben een ontheemde,

  ik lijd hier in een land van vreemden,

  reeds al te lang slijt ik verlaten

  mijn leven bij wie vrede haten.

  Vrede, behoedster van het leven,

  u heb ik heel mijn hart gegeven.

  Vrede, hoezeer ik voor u pleit,

  hun woord is haat, zij gaan ten strijd.

---

*121

#4

1

  Ik sla mijn ogen op en zie

  de hoge bergen aan, waar komt mijn hulp vandaan?

  Mijn hulp is van mijn Here, die

  dit alles heeft geschapen. Mijn herder zal niet slapen.

2

  Uw wank'le voeten zet Hij vast,

  als gij geen uitkomst ziet: uw wachter sluimert niet!

  Zijn oog wordt door geen slaap verrast,

  Hij wil, als steeds voor dezen, Isra‰ls wachter wezen.

3

  De Heer brengt al uw heil tot stand,

  des daags en in de nacht houdt Hij voor u de wacht.

  uw schaduw aan uw rechterhand;

  de zon zal U niet schaden,

  de maan doet niets ten kwade.

4

  De Heer zal u steeds gadeslaan,

  Hij maakt het kwade goed, Hij is het die u hoedt.

  Hij zal uw komen en uw gaan,

  wat u mag wedervaren, in eeuwigheid bewaren.

---

*122

#3

1

  Hoe sprong mijn hart hoog op in mij,

  toen men mij zeide: "Gord u aan

  om naar des Heren huis te gaan!

  Kom ga met ons en doe als wij!

  Jeruzalem, dat ik bemin,

  wij treden uwe poorten in,

  u, Godsstad, mogen wij ontmoeten!

  Jeruzalem, van ver aanschouwd,

  wel saamgevoegd en welgebouwd,

  o schone stede, die wij groeten.

2

  Hoe zijn de stammen opgegaan!

  Hier gingen ons de voeten voor

  der pelgrims, die de Heer verkoor,

  hier, waar uw heil'ge muren staan!

  Jeruzalem, dat ik bemin,

  wij treden uwe poorten in

  naar 's Heren woord, om zijns naams ere!

  Zo is het Isra‰l gezegd;

  hier zijn de zetels van het recht,

  de troon, waar David zal regeren!

3

  Bidt heil toe aan dit Vredesoord;

  dat die u mint bevredigd zij,

  dat vrede in uw wallen zij,

  gezegend zij uw muur en poort!

  Jeruzalem, dat ik bemin,

  wij treden uwe poorten in

  om u met vrede te ontmoeten!

  Om al mijn broeders binnen u,

  om 's Heren tempel wil ik u,

  o stad van God, met vrede groeten.

---

*123

#2

1

  Tot U, die zetelt in de hemel hoog,

  hef ik vol hoop mijn oog.

  Zoals een knecht let op zijns heren wenken

  of hij zijn gunst wil schenken,

  zoals het oog der dienstmaagd vol vertrouwen

  rust op de hand der vrouwe,

  zo zien wij op tot God, den Heer, tot Hij

  ons weer genadig zij.

2

  Wees ons nabij, wees ons nabij, ons lot

  stelt ons voor elk ten spot.

  Ons hart walgt van de hoogmoed der gerusten,

  de trots der zelfbewusten.

  Wij zijn reeds lang verzadigd van verachting

  en hebben geen verwachting,

  tenzij van U: o Heer, neem weg de smaad,

  verlos ons van dit kwaad.

---

*124

#4

1

  Laat Isra‰l nu zeggen blij van geest;

  Indien de Heer niet bij ons was geweest,

  toen vijandschap rondom was opgestaan,

  indien de Heer niet bij ons was geweest,

  Hij, onze hulp, wij waren lang vergaan.

2

  Het roofdier van hun toorn had ons verteerd,

  een hoge vloed, had God het niet gekeerd,

  was over ons verwoestend heengegaan-

  de baaierd die onstuimig rebelleert

  had ons bestaan welhaast te niet gedaan.

3

  Lof Hem die ons ter dood niet overgaf,

  wij zijn gered, wij zijn gered van 't graf.

  De vogelaar, die ons geen vrede liet,

  wou toeslaan, maar zijn strik viel van ons af;

  wij zijn ontkomen en hij greep ons niet.

4

  Die onze boeien slaakt, het is de Heer.

  Die voor de vrijheid waakt, het is de Heer.

  Door zijn verlossing zijn wij vrijgemaakt.

  Ons heil is in de naam van God de Heer,

  die God, die d' aard en hemel heeft gemaakt.

---

*125

#4

1

  Wie op den Here God vertrouwen

  staan als de Sion vast.

  Hoe hoog het onheil wast,

  zij wank'len niet die op Hem bouwen.

  Zij zullen als de berg des Heren

  de tijd trotseren.

2

  Hoog is Jeruzalem omgeven

  door bergen sterk en steil,-

  een stad van vrede en heil.

  Zo is de Here heel hun leven

  rondom hen die zijn woord bewaarden,

  zijn volk op aarde.

3

  De scepter van den goddeloze

  rust niet voorgoed op 't land

  waar Hij hen heeft geplant,

  opdat zij niet de hand naar 't boze

  uitstrekken en hun hart afkeren

  van Hem, den Here.

4

  Wie op de dwaalweg zet zijn voeten

  en wie in eigenwaan

  kwaad doet, zal 't kwaad vergaan.

  Maar laat wie goed doet goed ontmoeten,

  wie vraagt naar U, Heer, richt zijn schreden!

  Schenk Isra‰l vrede!

---

*126

#3

1

  Toen God de Heer uit 's vijands macht

  Sions gevang'nen wederbracht

  en ons verlost' uit nood en pijn,

  scheen het een blijde droom te zijn.

  Wij lachten, juichten, onze tongen

  verhieven 's Heren naam en zongen.

  Toen hieven zelfs de heid'nen aan:

  "De Heer heeft hun wat groots gedaan".

2

  Gij hebt, o Heer, ons bijgestaan

  en grote dingen ons gedaan.

  Gij hebt uw stad opnieuw gesticht,

  wij juichen in het morgenlicht.

  Laat alle ballingen nu keren

  en juichen in het huis des Heren.

  Wend thans ons lot, maak ons verblijd

  als steppen in de regentijd.

3

  Wat men hier nu met tranen zaait,

  wordt eenmaal met gejuich gemaaid.

  Wie 't zaad draagt dat hij zaaien zal,

  gaat wenend voort en zaait het al.

  Maar bij het feest der eerstelingen

  zal hij verheugd het oogstlied zingen.

  Dan keert hij weer te goeder uur

  en draagt zijn schoven in de schuur.

---

*127

#4

1

  Wanneer de Heer het huis niet bouwt,

  is, alle metselwerk ten spijt,

  de opbouw niets dan ijdelheid.

  Wanneer de Heer de wacht niet houdt,

  geen wachter, die de vijand keert,

  geen stadsmuur die zijn aanval weert.

2

  Voor dag en dauw reeds op te staan

  en op te zijn tot 's avonds laat,

  hard werken voor slechts weinig baat

  en schamel brood, 't is niets dan waan.

  Hij geeft het immers wie Hij mint,

  als in de slaap, als aan een kind.

3

  Zie, kind'ren zijn een gave Gods,

  waarmee de moeder wordt beloond,

  waarmee de vader wordt gekroond.

  Als scherpe pijlen waar, vol trots,

  een weerbaar man zich op verheugt,

  zo zijn de zonen van de jeugd.

4

  Gelukkig hij die in de strijd

  zijn koker vol met pijlen draagt.

  Gelukkig hij, die wordt geschraagd

  door zonen, tot zijn hulp bereid.

  Al pocht de vijand in de poort,

  vrijmoedig staat hij hem te woord.

---

*128

#3

1

  Welzalig is een ieder, die God van harte vreest

  en Hem als zijn gebieder gehoorzaamt allermeest.

  Verheug u, gij zult etende arbeid uwer hand.

  Gelukkig zult gij heten, u deert geen tegenstand.

2

  Voorwaar uw vrouw zal bloeien, een rijpe wingerdrank,

  uw kind'ren zullen groeien, den Heer tot eer en dank,

  als stekken van olijven, die om uw tafel staan.

  Ja, gij zult aan den lijve Gods zegen ondergaan.

3

  Het goede zult g' aanschouwen van Gods verkoren stad,

  en wat Hij in zijn trouwe u nog beschoren had;

  uw toekomst onbestreden, heil voor uw nageslacht,

  ja, algemene vrede aan Isra‰l toegedacht.

---

*129

#4

1

  Zij hebben immer van mijn jeugd af aan,

  zo zegge Isra‰l, zij hebben immer,

  reeds van mijn vroegste jeugd, mij leed gedaan,

  maar overweldigd hebben zij mij nimmer.

2

  Zij trokken op mijn rug met harde nijd

  hun lange voren, ploegden diepe wonden.

  Maar God, die recht doet, Hij heeft mij bevrijd,

  verbrak de boeien, waarmee zij mij bonden.

3

  Laat schaamrood vluchten al wie Sion haat,

  laat hen gelijk het gras zijn op de daken,

  dat dort, voor iemand er de hand aan slaat,

  dat in de oogst geen maaier aan zal raken.

4

  Haters van Sion, zo zij dan uw lot,

  dat die voorbijgaan u niet zullen eren,

  niet "vrede" zeggen, niet: "U zeegne God".

  "Wij zegenen u in de naam des Heren!"

---

*130

#4

1

  Uit diepten van ellende roep ik tot U, o Heer.

  Gij kunt verlossing zenden, ik werp voor U mij neer.

  O Laat uw oor zich neigen tot mij, tot mijn gebed.

  Laat mij gehoor verkrijgen, red mij, o Here, red!

2

  Zoudt Gij indachtig wezen al wat een mens misdeed,

  wie zou nog kunnen leven in al zijn angst en leed?

  Maar Gij wilt ons vergeven, Gij scheldt de schulden kwijt,

  opdat wij zouden vrezen uw goedertierenheid.

3

  Ik heb mijn hoop gevestigd op God de Heer die hoort.

  Mijn hart, hoezeer onrustig wacht zijn verlossend woord.

  Nog meer dan in de nachten wachters het morgenlicht,

  blijf ik, o Heer, verwachten uw lichtend aangezicht.

4

  Gij al Gods bondgenoten, ziet naar zijn toekomst uit!

  De Heer is vast besloten, tot goedertierenheid!

  Hoort aan de goede tijding; Hij geeft in zijn geduld

  aan Isra‰l bevrijding van onrecht en van schuld.

---

*131

#3

1

  O Heer, er is geen trots in mij,

  ik houd mijn hart van hoogmoed vrij,

  ik zoek niet met een waanwijs oog

  naar wat te groot is en te hoog.

2

  Heb ik mijn ziel niet naar uw wil

  gevoegd in vrede, mild en stil,

  zoals het pas gespeende kind

  troost in zijn moeders armen vindt?

3

  Gespeend en toch getroost, zo laat

  mijn ziel zich leiden door Gods raad.

  Hoop, Isra‰l, op God den Heer,

  rust bij Hem nu en immermeer.

---

*132

#10

1

  Heer, denk aan David en zijn eed.

  Eens riep hij de geduchte naam

  van Jakobs sterke helper aan,

  gedenk aan David en het leed

  dat hij voor U heeft uitgestaan.

2

  Geen vrede kwam den koning toe,

  geen woning ter verlustiging,

  geen plek waar hij ter ruste ging,

  zolang zijn Heer geen vaste voet

  op aarde had, geen vestiging.

3

  Efratha heeft uw naam gemeld,

  het veld weerklonk: de Heer is daar!

  Kom ga nu mee ter bedevaart;

  nu staat zijn zetel opgesteld

  waar Davids mare wordt bewaard.

4

  Zo zal ik naar Gods woning gaan

  en buigen voor zijn groot gezag

  en juichen dat ik leven mag,

  zo zal ik voor mijn Koning staan,

  Hem prijzen op zijn kroningsdag!

5

  Hij zet zijn voeten op de nek

  van alle macht en majesteit.

  Houd in gedachten t' allen tijd,

  dat deze afgeperkte plek

  aan Hem, aan God, is toegewijd.

6

  Sta op, o Heer, ga ons vooraan

  tot waar uw voet een voetbank vond,

  Gij en de ark van uw verbond.

  Laat hier uw priesters voor U staan

  en hoor het loflied uit hun mond.

7

  Recht is het kleed van heiligheid,

  daar zijn uw priesters mee bekleed,

  wees dan, o God, tot recht gereed,

  geef uw Gezalfde levenstijd,

  gedenk aan David, aan zijn leed.

8

  Aan hem, aan uw gezalfde zoon,

  hebt Gij gezworen bij uw eer;

  "Bewaart uw nageslacht mijn leer,

  zij zullen zitten op uw troon

  in aller tijden ommekeer".

9

  Sion is van den Heer voorgoed,

  Hij heeft het aan zijn eer gewijd;

  "Hier is Mijn rust in eeuwigheid,

  hier geef Ik brood in overvloed

  en spijze alwie honger lijdt!

10

  Daar staat de troon al opgericht,

  daar zetelt de gezalfde Zoon,

  in Davids stad, op Davids troon,

  al wie Hem haatten schamen zich

  en bloeien zal zijn koningskroon!"

---

*133

#3

1

  Zie toch hoe goed, hoe lieflijk is 't dat zonen

  van 't zelfde huis als broeders samenwonen.

  Een liefdeband houdt hen tezaam.

  De zegen van Gods hoog verheven naam

  daalt op hen neer vol zoete tederheid,

  als olie die den priester wijdt.

2

  Als olie die A„rons baard en kleren

  met geur doordringt, zo is de gunst des Heren

  voor wie eendrachtig samen zijn.

  Als dauw is het, die ligt zo mild en rein

  op Hermons top en daalt op Sion neer.

  't Wordt al een tuin voor God den Heer.

3

  Jeruzalem! Hier geeft de Heer zijn zegen,

  hier woont Hij zelf, hier wordt zijn heil verkregen

  en leven tot in eeuwigheid.

---

*134

#3

1

  Gij dienaars aan den Heer gewijd,

  zegent zijn naam te allen tijd.

  Gij die des daags zijn gunst verwacht,

  zegent zijn naam ook in de nacht.

2

  Die in het huis des Heren zijt,

  zegent zijn naam en majesteit,

  zingt tot zijn eer met luider stem

  en heft uw handen op naar Hem.

3

  Uit Sion, aan den Heer gewijd,

  zegene u zijn heiligheid.

  Hij die hemel en aarde schiep,

  Hij is 't die u bij name riep.

---

*135

#10

1

  Halleluja! looft den Heer,

  prijst zijn naam en majesteit,

  toegewijden aan zijn eer,

  die vanouds zijn knechten zijt,

  gij die uw verheven plicht

  in de tempelhof verricht.

2

  Prijst den Heer, want Hij is goed.

  Stemt uw snaren en vertolkt

  dat zijn naam ons leven doet.

  Hij koos Jakob tot zijn volk,

  Isra‰l tot kroonsieraad

  van zijn goddelijke staat.

3

  Boven al wat blinkt in eer,

  boven alle machten uit,

  is de Heer een enig Heer.

  Hij volvoert wat Hij besluit.

  Hemel, aarde, zee en land,

  zelfs de oervloed dwingt zijn hand.

4

  Van de verre zoom der aard

  roept Hij nevels naar het licht.

  Hij die regens heeft vergaard,

  slingert ook zijn bliksemschicht.

  Uit zijn schatgewelf laat Hij

  het tumult der winden vrij.

5

  In Egypte sloeg zijn macht

  alle eerstgeboornen neer,

  mens en dier viel door zijn kracht.

  Grote tekens van zijn eer

  hebben vorst en volk ontsteld,

  hebben stad en land gekweld.

6

  Volkeren heeft Hij verjaagd

  aan de oevers der Jordaan;

  vorsten heeft Hij weggevaagd.

  Isra‰l kon veilig gaan

  naar het land waar Abraham

  eenmaal als een vreemd'ling kwam.

7

  Hij heeft Isra‰l dat land

  als een erfdeel toegedacht.

  Heer, uw naam houdt eeuwig stand.

  Van U spreekt het verst geslacht.

  Uw genaderijk bestel

  schept het recht voor Isra‰l.

8

  Aller volken goden zijn

  goud en zilver, pracht en praal,

  werk van 's mensen hand en brein,

  zonder geest en zonder taal.

  Zij zijn blind en zij zijn doof

  voor aanbidding en geloof.

9

  Wat men ook tot goden wijdt,

  't is maar schijn en onbezield.

  Al wie afgodsbeelden snijdt

  en voor eigen maaksel knielt,

  gaat te gronde met het goud

  waar hij blind'lings op vertrouwt.

10

  Zegen, Isra‰l, den Heer,

  priesters, looft zijn majesteit,

  tempeldienaars, prijst zijn eer,

  looft Hem, wie zijn naam belijdt.

  Hij woont bij ons in gena.

  Prijst den Heer. Halleluja!

---

*136

#13

1

  Looft den Heer, want Hij is goed,

  trouw in alles wat Hij doet.

  Want zijn goedertierenheid

  zal bestaan in eeuwigheid.

2

  Geeft den God der goden eer,

  jubelt voor der heren Heer.

  Hij doet wondren, Hij alleen

  trouw door alle tijden heen.

3

  Looft Hem die de hemel schiep,

  zijn verstand is grond'loos diep.

  Hij bereidde zee en land.

  Eeuwig houdt zijn liefde stand.

4

  Zon en maan en sterren gaan

  koninklijk hun vaste baan.

  God regeert bij dag en nacht,

  zijn genade blijft van kracht.

5

  Die Egypte sloeg met rouw,

  toonde Isra‰l zijn trouw.

  Hij bevrijdt met sterke hand.

  Eeuwig houdt zijn liefde stand.

6

  Die de grote Schelfzee spleet,

  Isra‰l ontkomen deed.

  Looft den Heer, Hij gaat ons voor,

  Hij is trouw de eeuwen door.

7

  Farao met heel zijn heer

  stortte in het water neer.

  Looft de Heer die ons bevrijdt

  en ons liefheeft voor altijd.

8

  Isra‰l geleidde Hij

  veilig door de woestenij.

  Hij wijst ons het rechte spoor.

  Trouw is Hij de eeuwen door.

9

  Koningen, geducht en groot,

  heeft zijn sterke arm gedood.

  Hij slaat onze vijand neer.

  Eeuwig trouw is onze Heer.

10

  Isra‰l, des Heren knecht,

  trad in hun bezit en recht,

  ja, zijn erfdeel is gewis,

  daar Gods goedheid eeuwig is.

11

  looft den Heer, die in de nacht

  der verneed'ring aan ons dacht,

  die de tirannie verdrijft

  door zijn gunst die eeuwig blijft.

12

  Looft den Heer, die al wat leeft

  dagelijks zijn spijze geeft,

  die ons laaft en die ons voedt.

  Eeuwig is Hij trouw en goed.

13

  Aan den God des hemels zij

  eer en dank en heerschappij,

  want zijn goedertierenheid

  zal bestaan in eeuwigheid.

---

*137

#4

1

  Aan Babels stromen zaten wij gevangen.

  Daar weenden wij van weemoed en verlangen.

  Hoe trok ons hart naar huis, wij treurden om

  Jeruzalem, des Heren heiligdom.

  O dagen van weleer, o heil'ge stede,

  wie ver van Sion leeft, is zonder vrede.

2

  Droef zaten wij aan Babylons rivieren

  en hingen aan de wilgen onze lieren.

  De overwinnaar sprak: "Kom, speelt en zingt

  een vrolijk lied van Sion, dat het klinkt!"

  Die ons verdrukte sprak van spel en zangen,-

  wij lieten zwijgend onze lieren hangen.

3

  Hoe zouden wij als droeve bannelingen

  op vreemde grond het lied des Heren zingen?-

  Indien ik u vergeet, Jeruzalem,

  begeve mij mijn rechterhand, mijn stem.

  Ja, laat mijn tong voor zang noch spraak meer deugen,

  zo gij niet zijt mijn opperste verheugen.

4

  Gedenk, o Heer, de volken die ten tijde

  van Sions val met wrede wellust zeiden:

  "Breek af, breek af, de fundamenten bloot!"

  Gij dochter Babels, toegewijd ter dood,

  heil onze wreker, heil hem die, o trotse,

  uw kind'ren zal verbrijz'len aan de rotsen.

---

*138

#4

1

  U loof ik, Heer, met hart en ziel,

  in eerbied kniel ik voor U neder.

  Ja, in de tegenwoordigheid

  der goden wijd ik U mijn beden.

  Naar 't heiligdom waar Gij vertoeft

  hef ik het hoofd, ik zal U prijzen.

  Gij zult, o Here, wijd en zijd

  uw heerlijkheid en trouw bewijzen.

2

  Ten dage dat ik riep hebt Gij

  gehoord naar mij en kracht gegeven.

  Als ik welhaast ten offer viel,

  hebt Gij mijn ziel weer doen herleven.

  Al wat op aarde macht bezit,

  eenmaal aanbidt het U, o Here!

  Als Gij hun 't woord van uw verbond

  met eigen mond hebt willen leren.

3

  Dan zingen zij, in God verblijd,

  aan Hem gewijd, van 's Heren wegen.

  Groot is des Heren heerlijkheid,

  zijn majesteit ten top gestegen.

  Hij slaat, ofschoon oneindig hoog,

  op hem het oog die need'rig knielen.

  Maar ziet van ver met gramschap aan

  de eigenwaan van trotse zielen.

4

  Als, ik omringd door tegenspoed,

  bezwijken moet, schenkt Gij mij leven.

  Wanneer mijn vijands toorn ontbrandt,

  uw rechterhand zal redding geven.

  De Heer is zo getrouw als sterk,

  Hij zal zijn werk voor mij voleinden.

  Verlaat niet wat uw hand begon,

  o Levensbron, wil bijstand zenden.

---

*139

#14

1

  Heer, die mij ziet zoals ik ben,

  dieper dan ik mijzelf ooit ken,

  kent Gij mij, Gij weet waar ik ga,

  Gij volgt mij waar ik zit of sta.

  Wat mij ten diepste houdt bewogen,

  't ligt alles open voor uw ogen.

2

  Gij zijt zo diep vertrouwd met mij:

  wie weet mijn wegen zoals Gij?

  Gij kent mijn leven woord voor woord,

  Gij hebt mij voor ik spreek gehoord.

  Ja overal, op al mijn wegen

  en altijd weer komt Gij mij tegen.

3

  Waar zou ik vluchten voor uw Geest?

  Gij sluit mij in, ik ben bevreesd.

  Gij legt uw hand op mij, Gij zijt

  zo dichtbij met uw majesteit,

  zo ver en zo met mij verbonden:

  hoe kan ik uw geheim doorgronden?

4

  Waar vlucht ik voor uw aangezicht?

  Al steeg ik op in 't hemels licht,

  al daald' ik tot de doden af,

  Gij zult er zijn, zelfs in het graf.

  Gij blijft mij, God, in alle dingen,

  altijd en overal omringen.

5

  Al nam ik voor mijn vlucht te baat

  de vleug'len van de dageraad,

  al woond' ik aan de verste zee,

  uw hand gaat altijd met mij mee.

  Waar ik de vleugels uit zou spreiden,

  Gij houdt mij vast, Gij blijft mij leiden.

6

  Wanneer ik mij geborgen dacht

  in 't vallend duister van de nacht,

  werd dan de nacht niet als het licht?

  Hier lig ik voor uw aangezicht,

  o God, hoe licht is zelfs het duister,

  de nacht een dag die blinkt van luister.

7

  Gij hebt mij immers zelf gemaakt,

  mij met uw vingers aangeraakt,

  met toegewijde tederheid

  mijn nieren en mijn hart bereid,

  mij in de moederschoot geweven,

  mij met uw wonderen omgeven.

8

  Ik loof U die mijn schepper zijt,

  die met uw liefde mij geleidt,

  Gij hebt mijn oerbegin aanschouwd,

  in 't diepst der aarde opgebouwd.

  Niets blijft er voor uw oog verborgen.

  Ja, Gij omringt mij met uw zorgen.

9

  Gij zijt mij overal nabij,

  uw ogen waken over mij

  van toen ik vormloos ben ontstaan.

  Gij wist hoe het zou verder gaan.

  Ja, in uw boek stond reeds te lezen,

  wat eens mijn levensweg zou wezen.

10

  O God, hoe diep verwonderd ga

  ik uw volmaakte wijsheid na.

  Hoe schoon is alles wat Gij doet.

  Hoe kostelijk in overvloed

  zijn uw onpeilbare gedachten,

  ik overdenk die al mijn nachten.

11

  Gedachten onge‰venaard

  hebt Gij, o God, geopenbaard

  in al de werken van uw hand-

  gedachten talloos als het zand.

  Als ik ontwaak, Gij blijft mij leiden,

  ik vind U altijd aan mijn zijde.

12

  O God, verwerp het boos geslacht,

  op leugen en verraad bedacht.

  Wijk van mij, die het kwade doet,

  uw handen zijn vol vuil en bloed.

  Gij die Gods naam durft uit te spreken

  en tegen Hem het hoofd opsteken.

13

  Zou ik niet haten, die U haat,

  de wijsheid van uw weg verlaat

  en opstaat tegen U? Hij is

  een kind van kwaad en duisternis.

  Uw vijanden die U verlaten,

  hoe zou ik hen, o Heer, niet haten?

14

  Doorgrond, o God, mijn hart; het ligt

  toch open voor uw aangezicht.

  Toets mij of niet een weg in mij

  mij schaadt en leidt aan U voorbij.

  O God, houd mij geheel omgeven,

  en leid mij op den weg ten leven.

---

*140

#8

1

  Bescherm mij, Heer, behoed mijn leven,

  dat door geweld wordt overmand.

  Bedwing hen die naar onrecht streven,

  wier strijdlust elke dag ontbrandt.

2

  Bescherm mij en bewaar mijn gangen.

  Als adders spuwen zij venijn.

  Hun tong is scherp als die van slangen.

  Laat mij bij U geborgen zijn.

3

  Zij maken in hun hoogmoed plannen,

  beramen in hun hart geweld,

  bewaar mij voor wie netten spannen

  en vallen hebben opgesteld.

4

  Mijn God, zeg ik, Gij kunt het keren,

  hoor naar mijn stem die tot U schreit.

  Sterke Verlosser, Here, Here,

  mijn helm en pantser in de strijd.

5

  Laat al hun plannen schipbreuk lijden.

  Doorkruis hun wensen, grote God.

  Zij rukken aan van alle zijden.

  Verijdel Gij hun sluw complot.

6

  Doe, Heer, het kwaad waarvan zij dromen

  en van hun lippen het venijn

  als vlammen op hen nederkomen

  en als een vuur rondom hen zijn.

7

  Vang z' in de netten die zij spannen,

  hun eigen valkuil zij hun graf.

  Heer, wil de lasteraars verbannen,

  straf de geweldenaren af.

8

  Ik weet: de Heer zal vonnis wijzen;

  't verdrukte volk wordt opgericht.

  In recht hersteld zal het Hem prijzen

  en wonen voor zijn aangezicht.

---

*141

#9

1

  U, Heer, roep ik, U geldt mijn smeken,

  snel mij te hulp en hoor mij aan,

  U roep ik, wil mij gadeslaan,

  laat mij uw bijstand niet ontbreken.

2

  Laat, Heer, mijn gebed en mijn handen

  geheven zijn, tot U gericht

  als reukwerk voor uw aangezicht,

  als offers die des avonds branden.

3

  Doe mij, Heer, te rechter tijd zwijgen,

  laat mij niet spreken zonder grond,

  bewaak de deuren van mijn mond,

  laat niet mijn hart tot kwaad zich neigen.

4

  Laat, o Heer mijn hart zich niet hechten

  aan 't laag bedrijf van boos gespuis,

  laat mij niet eten in hun huis

  van hun verleid'lijke gerechten.

5

  Slaat men mij in trouw aan de Here,

  als olie op mijn hoofd zal 't zijn,

  een liefdedaad, een zoete pijn

  waarvan ik mij niet af zal keren.

6

  Onder 't lijden zal ik nog bidden.

  Gestrenge rechters, hard als steen,

  Gij oordeelt hen. Ik spreek alleen

  lieflijke woorden in hun midden.

7

  Evenals men bij 't openbreken

  der aarde 't puin terzijde gooit,

  ligt ons gebeente wijd verstrooid

  tussen de graven te verbleken.

8

  Zo aan dood en graf prijsgegeven

  hef ik tot U mijn smachtend oog,

  ik schuil bij U: trek mij omhoog,

  verzamel weer mijn vege leven.

9

  Hoed mij voor de strik die zij spanden,

  de val door bozen opgezet.

  Laat zelf hen vallen in hun net

  en mij ontkomen aan hun handen.

---

*142

#7

1

  Tot God den Heer hief ik mijn stem,

  ik riep tot God, ik smeekte Hem.

  Alles, alles wat mij benauwt

  heb ik den Here toevertrouwd.

2

  Wanneer mijn geest in mij versmacht

  kent Gij mijn pad, staat Gij op wacht.

  Al mijn beweging gaat Gij na,

  waar ik ook ga, waar ik ook sta!

3

  Gij weet van de verborgen strik,

  de hulpeloosheid en de schrik;

  dat niemand, niemand naar mij vraagt,

  en dat ik steeds word voortgejaagd.

4

  Tot U roep ik dat Gij, o Heer,

  mijn schuilplaats zijt, mijn tegenweer,

  mijn deel, mijn erve in het land

  der levenden, mijn onderpand.

5

  Sla op mijn zwakke smeken acht

  en red mij van de hete jacht.

  Die mij vervolgen in de strijd

  geven geen ogenblik respijt.

6

  Red mij van wie te sterk mij is,

  voer mij uit zijn gevangenis,

  dat ik U, Heer, dat ik U dan

  mijn Heer en God weer loven kan.

7

  Al uw getrouwen roep ik saam

  als Gij mij zo hebt welgedaan,

  zij zullen horen hoe ik zing

  uw naam en uw rechtvaardiging.

---

*143

#10

1

  O Here, hoor naar mijn gebeden,

  zie mij als smeek'ling tot U treden,

  verhoor mij, God, die trouw betoont,

  die ieder richt naar recht en reden,

  die boven ons als koning troont.

2

  Ik nader U, het hoofd gebogen.

  Gij kunt, o Heer, geen kwaad gedogen,

  ga met uw knecht niet in 't gericht,

  doe hem niet weg van voor uw ogen;

  wie is rechtvaardig in uw licht?

3

  De vijand staat mij naar het leven,

  heeft tegen mij de hiel geheven.

  O God, ik ben in nood en pijn.

  Wil niet mijn leven overgeven

  aan 't donker waar de doden zijn.

4

  Verward, o Heer, zijn mijn gedachten.

  Ik ben aan 't einde van mijn krachten

  en alle moed ontzonk mijn hart.

  Als Gij niet luistert naar mijn klachten,

  dan is het duister dicht en zwart.

5

  Ik denk, o Heer, aan vroeger dagen,

  toen Gij de vijand hebt geslagen.

  hoe waart Gij toen uw volk nabij.

  Gij hebt het door de dood gedragen

  en door uw hand werd Isra‰l vrij.

6

  Ik strek naar U mijn beide handen.

  Maak in mijn nood mij niet te schande

  voor 't oog van wie mijn ziel benart.

  Als dorstig land, het zonverbrande,

  zo smacht naar U, o Heer, mijn hart.

7

  Snel mij te hulp, wil mij verhoren.

  Doe mij uw aangezicht weer gloren

  voordat ik reddeloos bezwijk,

  voordat ik word als wie verloren

  afdaalden in het dodenrijk.

8

  Laat 's morgens uw genade dagen,

  voor ogen die het donker zagen.

  Ik bouw op U en anders geen.

  Wijs mij de weg van uw behagen,

  mijn ziel wacht het van U alleen.

9

  Gij zijt mijn God, sta mij ter zijde,

  mijn toevlucht als zij mij bestrijden.

  Leer mij uw wil, reik mij uw hand.

  Uw goede Geest zij mijn geleide;

  voer mij in een ge‰ffend land.

10

  Heer, om uws naams wil, laat mij leven!

  Wil in uw trouw mij niet begeven.

  Verdelg hem die mij lagen legt,

  weersta hen die mij wederstreven,

  want, Heer mijn God, ik ben uw knecht.

---

*144

#6

1

  Gezegend zij de Heer, die t' allen tijde

  mijn toevlucht is, mijn hand leert hoe te strijden,

  die voor 't gevecht mijn vingers vaardig maakt!

  Hij is mijn burcht, die van de bergen waakt.

  Gezegend Hij, de redder van mijn leven,

  schild dat mij dekt, mijn vesting hoogverheven.

  Gezegend zij de Heer, die mij behoedt

  en die de volken brengt onder mijn voet.

2

  Wat is de mens, o Heer? hoe hebt Gij reden

  aan mensenkind'ren aandacht te besteden,

  voor hen te zorgen, vriendelijk en mild?

  Wat is de mens, dat Gij hem kennen wilt?

  Een damp die uit de bodem komt gerezen

  en voor de zon verdwijnt, zo is zijn wezen;

  zo vluchtig als zijn adem is zijn tijd,

  zijn leven als een schaduw die verglijdt.

3

  Daal neder, dat de heem'len openrijten!

  Beroer de bergen, dat zij rokend splijten!

  Slinger de pijlen van uw bliksem neer,

  verstrooi de groten door uw gramschap, Heer!

  Reik mij uw hand, o Here hoogverheven,

  ontworstel aan de wateren mijn leven,

  ontruk mij aan de vreemden en hun nijd,

  wier hand mij treft, terwijl hun mond mij vleit.

4

  Een schoon nieuw lied wil in mijn ziel ontspringen,

  ik zal de snaren van mijn harp doen zingen.

  O God, die vorsten in de vrijheid zet,

  David, uw knecht, hebt van het zwaard gered,

  Grootmachtige, die bergen kunt verzetten,

  de watervloed het kolken kunt beletten,

  ontruk mij aan de vreemden en hun nijd,

  wier hand mij treft, terwijl hun mond mij vleit.

5

  Maak onze zonen, Heer, als jonge loten,

  als bomen in hun jeugd hoog opgeschoten,

  laat onze dochters ranke zuilen zijn

  van een paleis dat blinkt in zonneschijn.

  Geef dat op onze pleinen niemand klage,

  behoed de kudden, doe de rund'ren dragen,

  verduizendvoudig 't vee, in veld en wei,

  vul onze schuur- maak ons van zorgen vrij.

6

  Gelukkig is het volk dat t' allen tijde

  staat maken mag, o Heer, op uw geleide.

  Gelukkig 't volk, waaraan Gij welvaart geeft,

  het volk dat U, o God, tot Koning heeft!

---

*145

#6

1

  O Heer, mijn God, Gij koning van 't heelal,

  ik wil uw naam verheffen boven al.

  Van dag tot dag roem ik uw majesteit,

  ik zegen U voor eeuwig en altijd.

  Groot is de Heer, zijn grootheid zij geprezen,

  groot is zijn naam, zijn ondoorgrond'lijk wezen.

  Van mond tot mond gaan uw geduchte daden,

  van eeuw tot eeuw slaat men uw werken gade.

2

  Ik zal getuigen van uw heerlijk licht,

  van al de wondren die Gij hebt verricht,

  opdat men alom spreke van uw kracht,

  en roeme in uw overwinningsmacht.

  Uw grootheid, Heer, gaat boven mijn begrippen,

  uw goedheid, Heer, is altijd op mijn lippen

  en juichend zal men overal bezingen

  uw recht, o Heer, uw trouw aan stervelingen.

3

  Genadig en barmhartig is de Heer,

  lankmoedig en vol goedheid altijd weer.

  Hij toont zijn gunst aan alles wat Hij schiep,

  al wat Hij uit de schoot der aarde riep.

  U loven , Heer, de werken van uw handen,

  de hemelen, de zee‰n en de landen.

  U zegenen, o Heer, uw hartsbeminden

  die elke dag uw goedheid ondervinden.

4

  Zij roemen in uw koningschap, o Heer,

  zij stellen in uw heerlijkheid hun eer.

  Al wie hen hoort zal weten wie Gij zijt:

  een vorst, bekleed met macht en majesteit.

  Uw heerschappij is over alle tijden,

  ieder geslacht zal zich in U verblijden.

  Die dreigen te bezwijken wilt Gij schragen

  en Gij richt op, die zijn terneergeslagen.

5

  Zie, aller ogen zijn op U gericht,

  Heer, die te rechter tijd hun nood verlicht.

  Gij opent uwe hand, en al wat leeft

  vindt voedsel, vindt al wat het nodig heeft.

  Rechtvaardig is de Heer in al zijn wegen,

  in al zijn daden is Hij ons genegen.

  Al wie Hem aanroept, schenkt Hij zijn ontferming;

  wie Hem in waarheid aanroept, vindt bescherming.

6

  Al wie God vreest, verhoort en zegent Hij,

  zijn redding is elk die Hem roet nabij.

  Wie Hem bemint, is bij Hem welbehoed,

  maar wie Hem haat, betaalt het met zijn bloed.

  Ik zal vol vreugde zingen Hem ter ere,

  mijn mond zal vol zijn van de lof des Heren.

  Laat al wat leeft Gods heil'ge naam belijden,

  Hem zegenen tot aan het eind der tijden.

---

*146

#5

1

  Zing, mijn ziel, voor God uw Here,

  zing die u het leven geeft.

  Zing, mijn ziel, uw God ter ere,

  zing voor Hem zo lang gij leeft.

  Ziel, gij zijt geboren tot

  zingen voor den Heer uw God.

2

  Reken niet op mensenwaarde,

  want bij mensen is geen baat.

  Aarde wordt een mens tot aarde,

  als zijn adem uit hem gaat.

  Ligt niet alles wat hij wil

  met zijn laatste adem stil?

3

  Heil wien Jakobs God wil bijstaan,

  heil die God ter hulpe riep.

  Want zijn heil zal niet voorbijgaan,

  God is trouw aan wat Hij schiep.

  Wat in hemel, zee of aard

  woont, is in zijn hand bewaard.

4

  Aan wie hongert geeft Hij spijze,

  aan verdrukten recht gericht.

  Wie geboeid zijn, Hij bevrijdt ze,

  blinden geeft Hij het gezicht.

  Hij geeft den gebukten moed

  en heeft lief wie zijn wil doet.

5

  Wees en weduw en ontheemde

  doet Hij wonen op zijn erf.

  Hij behoedt de weg der vreemden,

  maar leidt bozen in 't verderf.

  Eeuwig Koning is de Heer!

  Sion, zing uw God ter eer!

---

*147

#7

1

  Lof zij den Heer, goed is het leven

  als 's Heren lof wordt aangeheven.

  Lieflijk en recht te allen tijde

  is 't onze God ons lied te wijden.

  Hij bouwt de stad, door Hem verkoren,

  het volk in ballingschap verloren

  brengt Hij er samen, heelt hun wonden,

  hoezeer hun harten zijn geschonden.

2

  Hij telt het leger van de sterren,

  Hij roept bij name hen van verre.

  Groot is de Here, groot in krachten,

  er is geen grens aan zijn gedachten.

  Die zich ootmoedig aan Hem geven,

  schenkt Hij een overvloed van leven.

  Maar Hij vernedert goddelozen,

  die trots hun eigen weg verkozen.

3

  Zingt, zingt om beurt om Hem te danken,

  ontlok de lier de schoonste klanken

  voor onze God, Hem die in luister

  de hemel dekt met wolkenduister,

  de aarde drenkt met milde regen,

  het gras doet spruiten allerwegen,

  de dieren zegent met zijn gaven

  en hoort de roep der jonge raven.

4

  Voor God is alle kracht van paarden

  en macht van mensen zonder waarde.

  Het snoeven van wie wapens dragen

  is niet naar 's Heren welbehagen.

  Zijn welbehagen zal slechts wezen

  met allen die Hem need'rig vrezen,

  die met hun harten voor Hem open

  op zijn genade en liefde hopen.

5

  Jeruzalem, gewijde woning,

  prijs Sion, prijs den Heer uw Koning.

  Als u een vijand aan wil randen

  sluit Hij de poort met eigen handen.

  Hij doet uw kind'ren veilig wonen,

  vervult met heldenmoed uw zonen.

  Uw daag'lijks brood geeft Hij u heden.

  Ja, altijd schenkt Hij u zijn vrede.

6

  De aarde hoort Gods heilig spreken.

  Zijn woord snelt voort door alle streken.

  De Heer spreidt sneeuw als wollen vachten,

  strooit rijp als as in winternachten.

  Hagel zendt Hij in barre vlagen.

  Wie kan zijn bitt're kou verdragen?

  Hij spreekt: de zuidenwinden komen;

  dan smelt het ijs: de waat'ren stromen.

7

  De Heer heeft Jakob uitverkoren

  om naar zijn heilig woord te horen.

  Aan Isra‰l heeft Hij ten leven

  zijn rechten en zijn wet gegeven.

  Zo deed Hij aan geen and're volken.

  Laat ons des Heren lof vertolken.

  De kracht, de heerlijkheid, de ere

  zijn Hem, die eeuwig zal regeren.

---

*148

#6

1

  Halleluja! Prijst God en zingt,

  gij fiere hemel die daar blinkt,

  gij legioen dat naar Hem hoort,

  gij engelen die draagt zijn woord,

  zonlicht en maan en alle sterren,

  hemel der hemelen van verre,

  peilloos verschiet boven ons hoofd;

  de naam des Heren zij geloofd!

2

  Naam van den Heer die heilig zijt,

  geprezen uw aanwezigheid.

  Want Gij hebt met uw stem en macht

  heel dit bestel tot stand gebracht.

  Gij laat uw schepping nimmer vallen,

  Gij roept uw creaturen alle.

  Gij hebt getemd het sterk geweld,

  Gij hebt het paal en perk gesteld.

3

  Halleluja! Prijst God en zingt,

  gij watervloeden die Hij dwingt;

  gij monsters uit het diep der zee,

  speelt voor den Heer en weest gedwee!

  Hagel en vuur en regenwolken,

  stormwinden die zijn stem vertolken,

  sneeuw die de bergen blank bekleedt;

  weest alle tot zijn dank gereed!

4

  Al wat op berg en heuvels leeft,

  gij bomen die uw vruchten geeft,

  gij bossen met uw opgaand hout,

  gij wild en vee in veld en woud,

  vogels die onbezwaard kunt zingen,

  mensen en dieren, stervelingen,

  alles wat levensadem heeft,

  weest nu verblijd omdat gij leeft!

5

  Koningen die op aarde troont,

  en natie‰n die rondom woont,

  gij rechters met uw ambt bekleed,

  gij vorsten tot het recht gereed,

  gij jongemannen en gij maagden,

  gij kinderen en hoogbedaagden,

  mensen in ouderdom en jeugd,

  verhoogt den Heer en weest verheugd!

6

  Naam van den Heer die heilig zijt,

  gezegend uw aanwezigheid.

  Ver boven aard' en hemel gaat

  de luister van uw hoge staat.

  God is nabij en zeer verheven,

  Hij doet zijn volk in ere leven.

  Daarom gij schepping wijd en zijd,

  verhoogt den Heer en weest verblijd!

---

*149

#5

1

  Halleluja! laat opgetogen

  een nieuw gezang den Heer verhogen.

  laat allen die Gods naam belijden

  zich eensgezind verblijden.

  Volk van God, loof Hem die u schiep;

  Isra‰l, dank Hem die u riep.

  Trek, Sion, in een blijde stoet

  uw Koning tegemoet.

2

  Laat het een hoge feestdag wezen.

  De naam des Heren wordt geprezen

  met het aloude lied der vaad'ren.

  De heil'ge reien naad'ren.

  En zo danst in het morgenlicht

  heel Gods volk voor zijn aangezicht

  en slaat de harp en roert de trom

  in 's Heren heiligdom.

3

  De Heer gedenkt in gunst de zijnen.

  Hij kroont de zwakken en de kleinen.

  Hij kent de stillen in den lande,

  het heil is nu ophanden.

  Weest verheugd, die den Heer verbeidt,

  nu Hij komt en u zelf bevrijdt.

  Prijst dan zijn naam bij dag en nacht

  en roemt zijn grote macht.

4

  Gods lof zal in hun lied weerklinken.

  En in hun rechterhand zal blinken

  een zwaard dat voor de trots der volken

  Gods wrake zal vertolken.

  De tirannen die God weerstaan

  zullen zij in de boeien slaan.

  Zij juichen, nu het bruut geweld

  voorgoed wordt neergeveld.

5

  Nu zal, gelijk er staat geschreven,

  Gods volk in volle vrede leven.

  De boze vijand is verslagen.

  Prijs 's Heren welbehagen!

  Na het duister der wereldnacht

  blinkt de luister van Gods geslacht.

  Hemel en aarde stemmen saam

  en prijzen 's Heren naam.

---

*150

#2

1

  Looft God, looft Hem overal.

  Looft de Koning van 't heelal

  om zijn wonderbare macht,

  om de heerlijkheid en kracht

  van zijn naam en eeuwig wezen.

  Looft de daden, groot en goed,

  die Hij triomferend doet.

  Hem zij eer, Hij zij geprezen.

2

  Hef, bazuin, uw gouden stem,

  harp en fluit, verheerlijkt Hem!

  Cither, cimbel, tamboerijn,

  laat uw maat de maatslag zijn

  van Gods ongemeten wezen,

  opdat zinge al wat leeft,

  juiche al wat adem heeft

  tot Gods eer. Hij zij geprezen.